French English NederlandsItalian
meer informatie op onze Engelse afdeling
Uit de geschiedenis: opinies over homofilie

DEEL 2: Uit de geschiedenis

In: Homofilie normaal

Een veelzijdig onderzoek. naar erkenning van homofilie

door Ton G.M. Smits, 2007

10. Oorsprong van de term Homoseksualiteit

"Mannen die van mannen houden" En: "vrouwen die van vrouwen houden."

Deze omschrijving geeft aardig weer waar het om gaat. De term die er voor gebruikt wordt, was in de loop van de geschiedenis heel verschillend: van sodomiet tot homoseksueel. Tegenwoordig gebruiken wij de termen homofilie en homoseksualiteit. Opvallend is het feit dat het bijna nooit om vrouwen met vrouwen gaat, terwijl dit toch ook onder de term homofilie valt. In die gevallen spreekt men meestal over lesbiennes, een term die is afgeleid van het verhaal over het eiland Lesbos. Waarschijnlijk hangt dat samen met het feit dat homofilie onder vrouwen gemakkelijker wordt geaccepteerd. Ook zijn er een aantal woorden in omloop die meer op scheldwoorden lijken, zoals poten en potten.

Maar die komen naar men kan verwachten eerder uit de hoek van tegenstanders en verdienen niet onze waardering. Een van de nieuwste termen die ik tegenkwam was: egoseksueel. Deze term werd gebruikt in een artikel van een feministe, die heel negatief over mannen dacht en hun alleen een egoïstische rol toekende. Wat zij uiteindelijk beweerde was dat seksualiteit alleen gericht was "op zichzelf". Het zou steeds en enkel en alleen gaan om de eigen lust. Daartegen lijken mij heel wat bezwaren aan te voeren, maar ik laat dat maar verder rusten.

Heeft homofilie cq. homoseksualiteit altijd bestaan? En: hoe functioneerde dat dan en hoe beoordeelde men dat? De eerste vraag is gemakkelijk te beantwoorden: Uit de geschiedenis blijkt zonneklaar dat er altijd en overal sprake geweest moet zijn van het verschijnsel homoseksualiteit. De aandacht hiervoor was echter nogal verschillend en ook de waardering was daaraan evenredig. Nieuwe ideeën en opvattingen over "seks tussen mannen" ontstaan vrij plotseling in de periode van de verlichting d.w.z. einde 18de eeuw. Dan ziet men het bv. in Frankrijk en Duitsland uit de wetboeken verdwijnen. Hetgeen overigens niet wil zeggen dat de wetgever het dan ook een goede zaak vond. Men vond slechts: "dat het strafrecht zich niet moet bemoeien met dat wat volwassen mensen met wederzijdse instemming buiten de publieke sfeer met elkaar doen." (40,pg.9) Gaat men verder terug in de geschiedenis en bestudeert men het verschijnsel ten tijde van de Grieken dan ontstaan ook al verschillende beelden. Eenduidig is het verschijnsel geenszins. De term "homoseksueel" zoals wij die nu kennen, stamt evenwel uit de 19de eeuw en moet volgens tijdgenoten toegeschreven worden aan Karl Maria Kertbeny (1824-1882).

In 1869 verschenen bij uitgeverij Serbe in Leipzig twee anonieme brochures, waarin geëist werd dat strafbepalingen tegen mannelijke homoseksualiteit werden opgeheven. De titels waren nogal breedsprakig: § 143 des Preussischen Strafgesetzbuches vom 14.April 1851 und seine Aufrechterhaltung als § 152 in Entwurfe eines Strafgesetzbuches für den Norddeutschen Bund" en "Das Gemeinschädliche des § 143 des Preussischen Strafgesetzbuches vom 14.April 1851 und daher seine notwendige Tilgung als § 152 im Entwurfe eines Strafgesetzbuches für den Norddeutschen Bund." De auteur gebruikt hierin voor het eerst termen als "homosexualisten"en "homosexualistinnen". Heteroseksuelen worden door hem "Normalsexualisten"genoemd en onanisten (d.i. zelfbevredigers) noemt hij "monosexualisten".(40, pg.40)

Qua afleiding van het woord moeten we teruggaan naar het Grieks: όμος (homos) dat gelijk betekent of hetzelfde en φίλος (filos) hetgeen vriend betekent. Niet te verwarren met het Latijnse "homo", dat mens of man betekent.

Homofiel betekent dus: degene die bevriend is met of houdt van iemand van hetzelfde geslacht. De vraag is echter of het wel gaat om "hetzelfde".

11. Seksualiteit in de geschiedenis

Op het eerste gezicht lijkt het begrip seksualiteit eenduidig en voor één opvatting vatbaar.

Maar dat is een misvatting.

Het is zeker niet waar dat alle mensen van alle tijden en in alle culturen over seksualiteit dezelfde ideeën hebben. En ook de morele beoordeling van seksuele gedragingen blijken zowel historisch als cultureel aan veel variaties onderhevig.

Een interessante verhandeling hierover is het boek " Sex in history" van de Engelse auteur G. Rattray Taylor. (18) Maar ook de onderzoeken van antropologen als Margaret Mead (14) en dr. Kinsey geven een verhelderend beeld van de verschillende cultuurgebonden situaties, terwijl de onderzoeksverslagen van Shere Hite ( 21 en 22 ) een goed inzicht geven in de verlangens en gedragingen van mannen zowel als vrouwen in de westerse maatschappij, zonder daar bij voorbaat ook morele beoordelingen aan te verbinden.

Niet alleen is er sprake van een steeds wisselende houding en tolerantie, maar ook de opvatting dat seksualiteit al of niet heilig is, direct met Gods wil verbonden dient te worden, wisselt in de loop van de eeuwen en verschilt per cultuur.

En uiteraard bepaalden dergelijke opvattingen ook dikwijls de houding die de wetgever hiertegenover aannam. In de loop van de geschiedenis kan men dan ook heel verschillende wettelijke maatregelen vinden, al naar gelang men het een of ander aanvaardbaar vond of niet. En zeker speelden opvattingen over homofilie hierbij een duidelijke rol. Dat binnen godsdiensten bepaalde personen, die als gezagsvol worden gezien, tevens grote invloed hebben, blijkt wel uit het feit dat men in het Christendom zo graag getuigenissen van kerkleraren en kerkvaders aanhaalt. Meestal getuigen die echter eerder van de strijd tégen dan van begrip vóór hun eigen seksualiteit. Als regel begrepen zij hun eigen ervaringen niet en zagen ze alleen als bedreiging voor hun lichamelijke en geestelijke reinheid. Met andere woorden hun waardering voor de seksualiteit was uitermate negatief. Zij zagen het eerder als een noodzakelijk kwaad.

Dat betekent dat hun geschriften in dat opzicht niet bepalend kunnen zijn voor onze moderne inzichten.

En tot slot: De aanvaarding van bepaalde opvattingen blijkt zelfs voorwerp zijn van een zekere machtsstrijd onder religieuze leiders, getuige o.a.de ontstaansgeschiedenis van de encycliek Humanae Vitae in de kerk van Rome.

Dat alles veroorzaakt verwarring en vraagt om verduidelijking

12. De oorsprong van opvattingen over seksualiteit en homofilie

Om een feitelijk juiste mening te vormen over seksualiteit en homofilie is het belangrijk de oorsprong van de nu bestaande meningen op te sporen. Het is verbazingwekkend te constateren hoe vele eeuwen lang het denken over seksualiteit beheerst werd niet alleen door gebrek aan kennis (die ontbrak in die tijd ook aan wetenschappers), maar vooral ook door een sterk magisch, zelfs bijgelovig denken. Opvallend is ook de angst die dit denken sterk beïnvloedde. De meest vreselijke ziekten werden in verband gebracht met wat men als misbruik zag. Dat gold ook voor homofilie.

Van "heidense" oorsprong.

De Griekse lijfarts van keizer Marcus Aurelius, genaamd Galenus, (2de eeuw na Chr.) schrijft al over de opvattingen van de christenen m.b.t. seksualiteit. Hij schrijft: "Hun verachting voor de dood en zijn gevolgen zien wij dagelijks, evenals hun seksuele onthouding. Zij hebben namelijk niet alleen mannen, maar ook vrouwen die zich hun hele leven lang seksueel onthouden." Galenus geeft hier blijk van zijn grote waardering daarvoor, ook omdat het een bevestiging is van wat hij al lang dacht dat seksuele onthouding goed is voor de mens

Nog ouder is de uitspraak van Pythagoras (6de eeuw v. Chr.) waarin hij zegt dat men zich 's winters aan de seksualiteit moest overgeven, maar niet in de zomer en in voorjaar en herfst met mate, maar dat het in alle jaargetijden schadelijk was voor de gezondheid. En op de vraag wanneer de beste tijd voor de liefde was, antwoordde hij:"Telkens wanneer je zwakker wilt worden dan je bent."

Hieruit blijkt dat deze opvatting over onthouding al bestond voor het christendom tot ontwikkeling kwam en dat het christendom heeft overgenomen wat eerder al leefde.

Opvallend is hier dat ook toen al de begrippen "liefde" en "seksualiteit" vrolijk door elkaar werden gebruikt. Het pessimisme over de seksuele krachten van de mens is dus veel ouder dan het christendom en stamt met name uit bepaalde groepen in de Griekse samenleving.

Het gaat dan om heel bekende namen.

Heel duidelijk in zijn oordeel is Soranus van Efese (2de eeuw na Chr.), lijfarts van keizer Hadrianus. Hij beschouwt blijvende maagdelijkheid als bevorderlijk voor de gezondheid en alleen "de nu eenmaal noodzakelijke verwekking van nakomelingen" acht hij te rechtvaardigen. Het is duidelijk dat met name de Stoa, een bekende Griekse filosofische school, sterke invloed heeft gehad op deze opvattingen, zij het dat hun mening voornamelijk stoelde op begrippen van gezondheid en niet op morele opvattingen.

Een andere bekende Stoïcijn, Seneca, (50 na Chr.) zegt over het huwelijk: "Elke liefde voor de vrouw van een ander is een schande. Schandelijk is echter ook de eigen vrouw bovenmatig lief te hebben. De wijze laat zich bij de liefde voor zijn echtgenote leiden door het verstand, niet door zijn gevoelens. Hij weerstaat de storm van hartstochten en laat zich niet onstuimig meesleuren tot de geslachtsdaad."

En ook een jongere tijdgenoot van Seneca, Musonius, veroordeelt elk geslachtsverkeer dat niet tot doel de verwekking van kinderen had. Hoewel gezegd moet worden dat de Stoïcijnen het huwelijk ook als bondgenootschap tot wederzijdse hulp zagen, het valt daarbij toch wel op dat die hulp eenzijdig bij de vrouw als hulp van de man werd gelegd. Het was in wezen een vrouwonvriendelijke filosofie. Aristoteles benadrukt bijvoorbeeld sterk de onderschikking van de vrouw aan de man en zegt dat vrouwen minder deugd bezitten dan mannen. En menig kerkleraar heeft deze gedachtegang in later eeuwen zonder meer overgenomen.

En Aeschylos (525 v.Chr.) onderschat kennelijk het belang van de moederrol bij het ontstaan van nieuw menselijk leven. Hij zegt dat het kind zijn moeder wel moeder mag noemen, maar dat dit nog niet betekent dat zij ook de oorsprong van zijn/haar leven is. Want de oorsprong van het leven ligt bij de vader. Vandaar ook dat alleen de vader recht van spreken heeft als er beslissingen moeten worden genomen over het kind en zijn toekomst. De moeder mag het kind alleen maar verzorgen. Verder heeft zij geen rechten. Hij zegt: " De moeder is voor het kind dat haar moeder noemt niet de bron van het leven, maar zij koestert de jonge kiem; de vader wekt, de moeder hoedt het kind."

Met andere woorden Voor de moeder is slechts een 2derangs rol weggelegd. Met het ontstaan van het leven heeft zij niets van doen. Bovenal valt echter de "lustvijandige" denkwijze op en deze zal zich tot in deze tijd ook onder het kerkelijk leergezag hardnekkig handhaven. Ook bij paus Johannes Paulus II vindt men een verwijzing naar de Stoïcijnse opvatting van Seneca: " Wanneer hij schrijft over echtbreuk met de eigen vrouw, zegt hij: "Niets omwille van de lust doen is het uitgangspunt van Seneca."

Johannes-Paulus komt aan die gedachte o.a. uit een brief die Seneca aan zijn moeder schreef: " Als gij bedenkt dat de geslachtelijke lust de mens niet is gegeven voor zijn plezier maar voor de voortplanting van zijn geslacht, dan zal, als de wellust u niet heeft aangeraakt met zijn giftige adem, ook elke ander begeerte aan u voorbijgaan zonder u te raken. De rede slaat niet slechts de specifieke, maar alle kwaden neer." In het denken van de Stoa gaat het om de rede. Dat is het hoogste goed en beschermt de mens tegen alle kwaad. En geen lustgevoelens, die de rede toch maar in verwarring brengen.

Hun denken over seksualiteit en homofilie was volgens modernere studies gestoeld op heel andere gronden dan wij denken. Het had dus niets van doen met een morele beoordeling, maar met denken vanuit de rede en daardoor met het behoeden van je gezondheid, iets waaraan de Stoïcijnen kennelijk heel veel waarde toekenden. In zijn boek "Homoseksualiteit in het klassieke Griekenland" uit het jaar 1978 (41) geeft de auteur K.J. Dover, verbonden aan het Corpus Christi College te Oxford de volgende doelstelling aan voor zijn boek: " Het wil een beschrijving geven van homoseksueel gedrag en verlangen zoals dat geuit werd in de Oudgriekse kunst en literatuur tussen de achtste en de tweede eeuw voor Christus." Hij vermeldt daarbij in een beoordeling van een dergelijke studie door Erich Bethe van 80 jaar daarvoor: " dat de studie van de Griekse homoseksualiteit was geschaad door het binnendringen van de "doodsvijand van de wetenschap": het morele oordeel. En zo is het gebleven." (41,pg. 5)

Het geeft wel aan hoe moeilijk het is tot een objectieve beoordeling terzake te komen.

Zeker is wel dat in bepaalde perioden van de Griekse geschiedenis heel openlijk over homoseksualiteit (het woord "homofilie"bestond toen kennelijk nog niet) werd gesproken en geschreven. Waarom het in andere perioden niet het geval was, blijft onduidelijk. Voor wat de Griekse periode betreft is een tekst uit bovengenoemd boek belangrijk in verband met het bovengenoemde beroep van paus Johannes Paulus II op de oude Griekse filosofie. De tekst spreekt voor zichzelf. (41,pg.209.)

"Er bestaat een wijdverbreide moderne opvatting, die ik regelmatig als volgt onder woorden heb horen brengen: "Het is onbegrijpelijk dat de Grieken homoseksualiteit hebben kunnen tolereren." Die opvatting is typisch voor een cultuur die een religieus verbod op homoseksualiteit heeft geërfd. De Grieken hadden niet het geloof geërfd dat een goddelijke macht de mensheid een aantal geboden heeft geopenbaard op het gebied van het seksuele gedrag. Zij hebben een dergelijk gedrag ook nooit ontwikkeld: zij bezaten geen religieuze instelling die voldoende gezag had om een seksuele gedragscode op te leggen. Toen zij in aanraking kwamen met culturen die ouder, rijker en ingewikkelder waren dan de hunne, en die niettemin fors van elkaar verschilden, namen de Grieken de vrijheid om uit te kiezen, aan te passen, verder te ontwikkelen en vooral te vernieuwen. Juist omdat zij zo verdeeld waren in heel kleine politieke eenheden, waren zij zich blijvend bewust van de mate waarin moraal en gedrag lokaal verschilden. Dit bewustzijn maakte hen tevens geneigd om plezier te beleven aan de producten van hun eigen vindingrijkheid en om een soortgelijk plezier toe te schrijven aan hun goden en helden."

De christelijke opvatting.

Ook het Christendom zag het huwelijk als bron van wederzijdse hulp. In feite werd echter net als bij de Stoa vooral de vrouw als hulp gezien. Andersom gold dat veel minder. Mede door gebrek aan biologische kennis, maar vooral ook beïnvloed door het oude Griekse denken van de Stoa hield men steeds als enig doel van het huwelijk de voortplanting. Alleen dat was een goede reden voor de geslachtsdaad. Verder was men duidelijk tegen alle lustgevoelens. Men beschouwde die als gevaarlijk en zondig. In feite zag men het huwelijk als geoorloofde onkuisheid. In onze ogen doet het wat lachwekkend aan, maar het was toch echt serieus bedoeld: als voorbeeld van kuisheid werd de olifant ten tonele gevoerd.

Plinius de Oudere (ca. 79 na Chr.) prijst de olifant aan, die slechts om de twee jaar paart. Kennelijk was dat in die tijd de ideale situatie. Maar dat verhaal was nog een heel lang leven beschoren, ook onder christelijke theologen en vrome verhalenvertellers. Om er enkele te noemen: dit verhaal werd steeds weer van stal gehaald o.a. door

Franciscus van Sales, bisschop van Geneve, beschrijft het in 1609 in zijn geestelijke instructie "Philotea" als volgt:

"Hij is slechts een log dier en toch het waardigste dat op aarde leeft, en heeft het meeste verstand. Hij neemt nooit een ander wijfje en heeft het wijfje dat hij gekozen heeft teder lief. Hij paart echter slechts eenmaal in de drie jaar met haar. Slechts gedurende vijf dagen en verbergt zich daarbij zo zorgvuldig dat hij nooit is gezien als daad, wel echter laat hij zich zien op de zesde dag, wanneer hij onmiddellijk en rechtstreeks naar de rivier gaat om zijn gehele lichaam te wassen en gaat hij niet naar de kudde alvorens hij zich heeft gereinigd. Is dat niet goed en rechtschapen?"

Franciscus van Sales refereert hier dus aan het verhaal dat van Plinius stamt. Alleen volgens de in die dagen gebruikelijke dweepzucht met onthouding, voegt hij er nog een jaar van onthouding aan toe. Waar Plinius spreekt over twee jaar, noemt Franciscus van Sales drie jaar. In een veel later verschenen boek "Geschichten der Anna Katharina Emmerich uber das Leben Jesu, aufgeschrieben von Clemens von Brentano (1820) blijkt het dier zelfs onderdeel van Jezus' verkondiging in het verhaal van de bruiloft van Kana.

Men kan zich afvragen: vanwaar dat pessimisme en die afwijzing van alle lustgevoelens in het menselijk leven? (Ik kom daar later op terug in het hoofdstuk 26: Je lust en je leven. )

Het is immers niet zo dat deze opvatting door iedereen gedeeld werd. Al in het Vernieuwde Testament wordt gewaarschuwd voor dergelijke opvattingen, die ook door de latere "gnosis", eveneens een van de Grieken afkomstige filosofie, werden verkondigd.

1 Timoteus geeft blijk van grote afkeer van de pessimistische opvattingen van de gnosis. De brief eindigt als volgt:

"20.Timoteus, bewaar wat U is toevertrouwd en keer U af van het profaan en leeg geredeneer en de opwerpingen van de zogenaamde gnosis. 21. Sommigen, die haar verkondigen zijn het spoor van het geloof reeds bijster geraakt. De genade zij met U allen."

Islamitische opvattingen.

Gezien het feit dat Mohammed veel wist van de joodse en christelijke godsdiensten, mag men verwachten dat ook bij hem opvattingen voorkomen, die sterk overeenkomen met die in jodendom en christendom. Daarom is het wel interessant hier de opvattingen uit de Koran, het heilige boek van de Islam, te vermelden. Men vindt hierover teksten in twee hoofdstukken (Soera's) van de Koran. (De vertaling is van Professor dr. H. Kramer).
Soera 26, vers 165-168:

165.Zult gij de mannelijken onder de wereldwezens benaderen? 166. En zult gij aflaten van uw echtgenoten, die Uw Heer voor U geschapen heeft? Neen, gij zijt een volk van overtreders.167. Zij zeiden: Indien gij niet ophoudt, o Lut, zult gij zekerlijk behoren tot de uitgedrevenen.168. Hij zeide: ik behoor tot hen die uw bedrijf verafschuwen. In Soera 27, vers 54-57:

54. En Lut, toen hij zeide tot zijn volk: Zult gij zedeloosheid begaan, terwijl gij toch inzicht hebt? 55. Zult gij waarlijk de mannen naderen in wellustige begeerte in plaats van de vrouwen? Neen, gij zijt lieden die onwetend zijn.
56. En niet was het antwoord anders dan dat zij zeiden: Drijf het geslacht van Lut weg uit uw stede, zij zijn mensen die zich rein houden.
57. Toen redden Wij hem en zijn huisverwanten, doch niet zijn vrouw, die naar Onze beschikking behoorde tot de talmenden.

Deze teksten zijn een verwijzing naar het bijbelverhaal van Sodom en Gomorra. Lut is in de bijbel Loth. En de uitleg van de betekenis van deze teksten is dus onjuist, wanneer daarmee homofilie wordt veroordeeld. Hier worden de goeden en de kwaden tegenover elkaar geplaatst en de goeden dreigen onder de voet te worden gelopen door de kwaden. Daar gaat het over.

In Islamitische kringen worden deze teksten toch wel aangehaald als bewijs dat de Koran homofilie zou afwijzen, hoewel die opvatting zeker niet algemeen verbreid is. Maar als men goed leest wat er staat, vindt men er geen afwijzing, maar een vraagstelling. Wel wordt vastgesteld dat het hier om de strijd tussen de goeden en de kwaden gaat en dat God de ondergang van de goeden niet toestaat.

Als het de bedoeling is geweest in deze soera's homofilie te veroordelen, dan gebeurt dat toch wel op een heel vage manier. Bovendien zou zo'n uitleg afgeleid zijn van een verkeerde exegese van het verhaal van Sodom en Gomorra.

Over het huwelijk is de Koran veel duidelijker in soera 23 en 70, beide met ongeveer gelijke teksten.

Soera 23: 1. Wel varen de gelovigen(d.i. het gaat de gelovigen goed). 5. welke hun eerbaarheden wel (goed) bewaren.
6.Tenzij zij jegens hun echtgenoten of wat hun rechterhanden bezitten (concubines), want dan zijn zij niet te laken.
7.Doch wie daarenboven nog bepaalde begeerte hebben, dat zijn de overtredenden.

Zonder meer is dus duidelijk dat niet alleen binnen het christendom homofilie een omstreden zaak is. Maar evenzeer is duidelijk dat de oorsprong van het negatieve denken over seksualiteit en homofilie niet ligt in het christendom, maar in de Griekse filosofie van met name de Stoa. Het is dus onjuist te beweren dat bepaalde negatieve opvattingen over de menselijke seksualiteit van oorsprong christelijk zouden zijn. Dat zijn ze niet. Ze zijn het christelijk denken binnengedrongen door de dominantie van het Griekse denken van de Stoa.

Wat dan moeilijk te begrijpen valt, is dat bijvoorbeeld de Gnosis wel en het Stoa-denken niet werd afgewezen, terwijl toch beide filosofieën geen relatie hadden met het Evangelie, dat Jezus van Nazareth verkondigd had.

13. Politieke ontwikkelingen.

In hoeverre hebben dan politieke invloeden greep gehad op meningen over seksualiteit en vooral op het wel of niet aanvaarden van homofilie? Na de tijd van het klassieke Griekenland, dat zijn culturele invloed ver had uitgebreid, worden de volgende eeuwen gekenmerkt door de snel groeiende invloed van het Christendom.

Daarbij speelden, zoals wij uit het Vernieuwde Testament kunnen opmaken, vooral twee culturen een belangrijke rol de Griekse en de Joodse cultuur.

Paulus geeft bv. blijk van zijn hekel aan de Griekse cultuur (hij was immers zelf Jood en ook Romein) door homoseksualiteit en lesbische liefde te melden als typische ondeugden van de heidenen, waaronder hij overigens wel werkte. Dat daarover ook onder Grieken zeker geen eenduidige opvattingen bestonden, meldt hij echter niet. Toch zijn ook daarover heel wat schriftelijke getuigenissen bekend van de hand van Seneca, de stoïcijn Epictetus en Aristophenes. En Paulus zal daar als belezen en bereisd man toch wel kennis van hebben genomen.Kennelijk is hier sprake van een zeer persoonlijke afkeer. Maar het is bekend dat Paulus wel meer een heel persoonlijke mening gaf, die niet algemeen aanvaard bleek.

Het christendom bleek op den duur uit beide invloedssferen het een en ander te hebben overgenomen. Zwaarwegende opvattingen zoals die over lust en onlust gaf men meteen een religieuze lading. Kennelijk wist men beide terreinen niet goed te scheiden.

Over de plaats van homoseksualiteit in de maatschappij na de tijd van het klassieke Griekenland tot aan ca. 1800 na Chr. dan nog het volgende: Er is sprake van een wisselend beeld. Dat heeft te maken met de tijd, waarin het speelde, de personen die de macht in handen hadden en vooral met de aversie tegen homofilie die daarbij al of niet de boventoon voerde. Een aversie overigens die meer met onbekendheid had te maken dan met kennis van zaken.

In het algemeen gesproken kan men zeggen dat het "gewone" volk geen uitgesproken vijandige houding vertoonde. Het waren vooral degenen die het voor het zeggen hadden in kerk en maatschappij, die besloten of er maatregelen genomen moesten worden.Verbazingwekkend is dat men daarbij niet naar verklaringen zocht, maar op grond van gevoelens voor of tegen zijn gedrag bepaalde.

Daardoor ontstaat een zeer wisselend beeld, waarin moeilijk een rechte lijn valt aan te wijzen, maar wel is duidelijk dat de maatregelen tegen hen, die "tegennatuurlijk leefden" er bepaald niet om gelogen hebben. Het was veelal een halszaak en daardoor omringd door veel stilzwijgen en geheimzinnigheid. De kerkelijke inquisiteurs waren werkelijk bezeten door een obsessie om mensen om die reden te vervolgen en hen vervolgens over te dragen aan de wereldlijke overheid.Hun obsessieve gedrag alleen al zou voer voor psychologen zijn.

In "Pijlen van naamloze liefde" (40) vermelden de auteurs een hele reeks gevolgen die bekend geworden homoseksualiteit voor de betreffende personen had. Zij noemen: schandalen, pamfletten, het noodgedwongen gebruik van pseudoniemen, uitgefloten redenaars, opsluiting als wetsovertreders, processen, brandstapels en andere doodvonnissen, geweigerde promovendi en ballingschap.

Dit alles werd veroorzaakt door drie opvattingen: Op de eerste plaats door de leer dat seksualiteit alleen bedoeld was ter voortplanting; elk ander gebruik was slecht.

Op de tweede plaats omdat er door gebrek aan kennis om de menselijke seksualiteit een geheimzinnig waas hing van magie en daardoor van angst voor de vreselijke wraak van God zelf. Op de derde plaats omdat lust als iets laag-bij-de gronds ja zelfs als iets smerigs werd gezien. Lustvijandigheid en de angst voor zaadverspilling voerden veelal de boventoon.

Daarom zou men verwachten dat eind 18de eeuw, begin 19de eeuw, toen men homoseksualiteit uit de Boeken van Strafrecht begon te verwijderen en vooral toen in 1827 het bestaan van de vrouwelijk eicel werd ontdekt, deze negatieve opvattingen ook zouden verdwijnen. Dat bleek echter niet het geval. De consequenties van dergelijke ontdekkingen durfde men kennelijk nog niet aan en het zou nog tot ver in de 20ste eeuw duren voordat daarover nieuwe ontwikkelingen op gang kwamen.

Von Feuerbach, een van de auteurs van zo'n wetboek, noemt toch ook nog sodomie een verwerpelijk kwaad, waaruit minachting voor het huwelijk blijkt, een kwaad dat leidt tot verzwakking en tenslotte tot ontbinding van de staat.. Het is volgens hem: "onnatuurlijk, onredelijk en onnuttig."

Ook hier valt een zekere nadruk op. Het gaat niet om religieuze overtuiging, maar om redelijkheid en het belang van de staat. Tijdens de Restauratie (1815-1848) na de Franse Revolutie en na de val van Napoleon in 1815 komen dan nieuwe ontwikkelingen op gang, die toch ook weer uitmondden in wettelijke strafmaatregelen. Door de opkomst van de natuurwetenschappen komen een aantal zaken, waaronder ook de seksualiteit, in een ander, zeg maar wetenschappelijk licht te staan. En wat homoseksualiteit betreft begonnen allerlei onderzoekers onder zowel voor- als tegenstanders bewijzen te verzamelen om hun gelijk aan te tonen. Darwin met zijn evolutietheorie en Morel met zijn degeneratieleer proberen op biologisch terrein tot een oordeel te komen.

Dat men achteraf gezien daarbij nogal eens in de fout ging, omdat men feiten en fantasie niet altijd uit elkaar wist te houden, doet aan de bedoeling weinig af: men wilde voortaan exacte bewijzen op tafel. Ook de opkomende psychiatrie bemoeide zich er mee. Termen als abnormaal, pervers gedrag e.d. doen hun intrede. Psychiaters noemen homoseksualiteit een stoornis, die genezen moet worden.

Men doet onderzoek naar de herkomst van de "afwijking". De Italiaanse criminoloog Cesare Lambroso, die beweerde dat er een "criminel né" bestaat, bij de geboorte dus in aanleg meegegeven, noemt de "sexuele perverten" bijna in één adem met andere "afwijkingen". Hij doet zelfs grote aantallen schedelmetingen e.d. om aan te tonen dat hij gelijk had. Deze discussie tussen wetenschappers heeft vele jaren geduurd en mondde tenslotte uit in de opvatting dat als regel homoseksualiteit inderdaad als aangeboren , maar daardoor nog niet als normale aanleg moet worden beschouwd. Ook komt men in die tijd onder psychiaters de mening tegen dat het om een geestelijke afwijking gaat.

Dan ontstaat in de politiek opnieuw de neiging de strafbaarheid aan te scherpen. Dat gebeurt vanaf ca. 1870 door het grote belang dat men aan huwelijk, gezin en voortplanting hecht en door het feit dat in internaatssituaties zoals kostscholen, schepen en gevangenissen "wel het een en ander gebeurt".

Toch heeft juist deze opkomende natuurwetenschappelijke ontwikkeling bevorderd dat men zocht naar bewijzen voor "een natuurlijke variant", zoals o.a. Karl Heinrich Ulrichs meende te kunnen aantonen.. En het is deze bijdrage die tot in onze tijd zorgde voor een opkomende emancipatie-beweging onder homofielen. Zij wensen zich niet meer in de hoek van de afwijking te laten drukken, omdat zij zich ook niet zo voelen. Maar helaas kwam de homoseksualiteit ook in de publieke aandacht door een groot aantal schandalen. Maurice van Lieshout noemt in zijn artikel (40, pag. 9) als voorbeelden de sexfeestjes van de Duitse staalbaron Krupp in Italie, het gerommel met schandknapen van Oscar Wilde en de "homokliek" rond het hof van Wilhelm II.

Dit soort schandalen kreeg op den duur zelfs zo'n negatieve aandacht dat tot in onze tijd politici door dergelijk gedrag zeer gevoelig voor chantage worden geacht. Wat dat betreft heeft zich bv. in Engeland de laatste jaren wel het een en ander afgespeeld.

Dan ontwikkelt zich onder homo's een eigen streven los te komen van al die wetenschappers en moralisten en een eigen emancipatiebeweging op gang te brengen.(C.O.C.), daarbij geholpen door organisaties als de N.V.S.H., die een ruimere opvatting over seksualiteit wilden bevorderen. Toch is het nog lang niet zo dat homofilie door het grote publiek als normaal wordt ervaren, hoewel er wel sprake is van een op ruime schaal gedogen.

In W.O.II werden homofielen vervolgd en vermoord. De nazi's beschouwden homofilie als een teken van decadentie en degeneratie en als een bedreiging voor de nazi-ideologie: "een zuiver Germaans ras". Om die reden moest het volgens hen dan ook worden uitgeroeid. Maar homofielen waren niet de enigen, getuige de enorme aantallen moorden onder het Joodse volksdeel en onder zigeuners, waaraan wij terecht nog voortdurend worden herinnerd.

Thans is er werkelijk sprake van een effectieve homo-emancipatiebeweging, d.w.z. homofielen ontworstelen zich aan alle morele en wetenschappelijke bezwaren en proberen tot een eigen identiteit te komen. En, hoewel ook hier wel uitwassen zijn aan te wijzen, die niet in het belang van die emancipatie lijken te zijn, het is een grote winst en het getuigt van grote moed en doorzettingsvermogen.

14. Literatuur over seksualiteit.

Een van de meest opvallende krachten in de mens is die van de seksualiteit en ieder moet op zijn/haar eigen wijze daarmee leren omgaan. Dat is voor iedereen een lang leerproces. Het is dus niet verwonderlijk dat vele schrijvers zich in het onderwerp hebben verdiept.

Zowel in poëzie, in romans als in wetenschappelijke onderzoeksverslagen werd en wordt nog steeds over de meest uiteenlopende onderwerpen m.b.t. seksualiteit gestudeerd en geschreven.

Ook in Heilige Geschriften vindt men beschrijvingen, die dan meestal de opzet hebben de bedoeling ervan uit te leggen, maar het ook lof toezwaaien als één van de meest wonderlijke gaven van God aan mensen. Dat is ook het geval met de Bijbel.

Eén van de mooiste voorbeelden uit de Bijbel is het Hooglied. Een prachtige romantische beschrijving van de liefde tussen bruid en bruidegom in termen die uiteraard pasten in de tijd waarin het geschreven werd.

De tekst is heel realistisch en vol bewondering over elkaars lichamelijke schoonheid en de onderlinge aantrekkingskracht. De moeite van het lezen waard. Maar ook in romans verschijnen nog dagelijks prachtige verhalen over de liefde en de erotische aantrekkingskracht tussen mensen. En ook vele liederen die dagelijks daarover worden geschreven, zijn dikwijls de moeite waard.

Dat deze liefde daarnaast door sommigen op een ordinaire manier naar beneden wordt gehaald, doet natuurlijk niets af aan de schoonheid van de werkelijkheid. Het is en blijft een van de mooiste gaven aan de mens. Maar ook op wetenschappelijke wijze is intensief gestudeerd en gepubliceerd over de menselijke seksualiteit. Veel is daardoor bekend geworden over de verschillen tussen de vele culturen op deze wereld. Met name Margareth Mead (14) heeft op dit terrein veel onderzoek gedaan en er over gepubliceerd.

Zo vermeldt Rattray Taylor in zijn boek Sex in history (18) op pag. 21 het volgende voorbeeld: "De moraliteit is wat gebruikelijk is. En wat gebruikelijk is, verandert voortdurend.De reeks van mogelijke variaties is groot; hoe groot hebben de antropologen ons geleerd. Op de Trobiandse eilanden bv. staan de ouders kinderen toe seksuele spelletjes te doen en zij verbieden niet dat zij de geslachtsdaad voorbarig proberen uit te voeren; als adolescenten mogen zij met elkaar slapen, alleen onder voorwaarde dat zij niet verliefd zijn op elkaar. Als zij verliefd op elkaar worden, wordt de geslachtsdaad verboden en het met elkaar slapen van gelieven zou tegen ieder gevoel van fatsoen indruisen."

Er zijn inmiddels heel veel studies verricht en heel wat boeken geschreven over seksualiteit. Dat kerken daar dikwijls veel moeite mee hadden en deze publicaties snel afwezen, blijkt uit de reacties daarop. Een inmiddels vergeten voorbeeld is de ongekend felle aanval op een boek, dat door een r.k. vrouwenarts met de beste bedoelingen werd geschreven namelijk met de opzet echtparen te helpen tot een verantwoord geslachtsverkeer te komen. Doch omdat in Rome een sterke anti-lustfilosofie werd aangehangen en dit boek het genoegen in het geslachtsverkeer mede bedoelde te verhogen om de relatie tussen gehuwden te verbeteren, werd het boek afgewezen en zelfs op de lijst van verboden boeken geplaatst. En waar ging het in feite over: de auteur leerde echtparen dat het zinvol en mogelijk is sleur buiten hun relatie te houden door het toepassen van een gevarieerde houding bij de coïtus.

Ik heb het hier over het boek van de Haarlemse vrouwenarts en directeur van de vrouwenkliniek aldaar: dr. Theodoor Hendrik van de Velde(1926) getiteld: "Het volkomen huwelijk" "Het in fysiologisch-technisch opzicht tot grotere volkomenheid gebrachte huwelijk"( de uitgebreide uitgave).(19)

En een tweede voorbeeld: Professor dr.Anna Terruwe, een religieus gezien vrij behoudende r.k. psychiater,verbonden aan de r.k. Universiteit van Nijmegen, die o.a. een heel zinvol boekje schreef over haar bekende "bevestigingstheorie", en te hulp schoot toen bleek dat menig jong priester en a.s. priester problemen hadden met hun celibaatsverplichting en daarbij deskundige, gelovige psychiatrische hulp nodig bleek. Toen zij hierover publiceerde, werd zij door Rome veroordeeld en kreeg zij het verbod dergelijke hulp te verlenen. Zoals ik al opmerkte, er is een groot aantal studies verricht en er zijn vele boeken geschreven. En bijna steeds weer reageerden kerken afwijzend.

15. Het identificatieproces.

Hoe leer je jezelf kennen als menselijk wezen? Wij noemen dat het identificatieproces. Een belanrijke vraag is dan:" Wat is de rol van dat identificatieproces bij de ontwikkeling van je seksualiteit?" Dan speelt op de eerste plaats de relatie met de ouders een belangrijke rol. Maar het is niet de enige factor die van belang is.Er speelt namelijk ook een ander aspect mee. Je bent en voelt je zelf, ook van jongs af aan, al man of vrouw, of, zoals later in dit boek zal blijken, ook wel man én vrouw.(22)

Beide zaken spelen mee: de relatie met de ouders en het gevoel dat je zelf hebt over je eigen persoon en je eigen lichaam. Het gevoel dat je daarover hebt ontwikkelt zich pas in de loop der jaren en bij sommigen is zelfs dat een probleem.

Dat geldt ook ten aanzien van de homofilie. Er zijn wel mensen die menen dat homofilie kan ontstaan door "besmetting" met het voorbeeldgedrag van anderen. Met andere woorden je kunt, volgens hen, ook homofiel worden omdat anderen je dat hebben geleerd of voorgedaan. Maar het is inmiddels wel duidelijk dat we het dan over aangeleerd gedrag hebben, dat niet echt bij de persoon hoort. Door het voorbeeld is dan de indruk gewekt dat het zo hoort. Men weet dan niet beter. Maar omdat de groei in je eigen seksualiteit een langdurig proces is, kan men ook rustig aannemen, dat deze mensen vroeg of laat toch achter hun werkelijke identiteit komen. Van werkelijke "besmetting" is dan geen sprake.

In de relatie met de ouders is het Oedipuscomplex het meest bekend geworden: Oedipus, uit de Griekse mythologie, die zijn vader doodde omdat hij hem als concurrent zag bij zijn liefde voor zijn moeder. Psychologen kennen dit begrip, waarbij een kind zijn/haar vader of moeder als concurrent ziet, bij de groei van kinderen een belangrijke rol toe.

Zeker is dat kinderen zichzelf zullen ontdekken door de vader- of moederfiguur (of beiden) als voorbeeld te nemen. Het gedrag van de ouders zelf of van degenen die voor hen die rol vervullen en mensen in hun onmiddellijke omgeving, is dan ook veel belangrijker dan menigeen denkt.

Maar ook de waarde die men maatschappelijk gezien aan de vader en/of moederfiguur toekent blijkt van invloed te zijn op de erkenning of afwijzing van homoseksuliteit

Zo zijn er mensen met een vader-identificatie en mensen met een moeder-identificatie. Maar er zijn ook mensen die zich met beiden hebben geïdentificeerd of juist met geen van beiden. Rattray Taylor (18) heeft dit begrip in zijn boek uitgewerkt en noemt mensen met een vader-identificatie "patristen"en die met een moeder-identificatie "matristen".De identificatie met beide ouders geeft hij geen naam, maar kent deze wel een belangrijker rol toe bij een werkelijk evenwichtige uitgroei naar volwassenheid.Bij beide groepen, patristen en matristen, ziet men een bepaalde gedragsvorm die ieder ook eigen voor-en nadelen heeft.

1. De afwijzende houding van de patrist t.o.v. seksualiteit betekent niet dat hij de seksualiteit van de mens niet ziet. Het betekent dat hij de seksualiteit als noodzakelijk kwaad ziet, waardoor hij het alleen maar erkent als (helaas) noodzakelijk voor de voortplanting van het menselijk geslacht. De matrist ziet een veel bredere rol, waarin vooral de relatie tussen partners zwaar weegt.

2. De patristen (dat zijn als regel mannen) zien de vrouw als ondergeschikt en van lagere orde, zij achten haar tot minder in staat dan de man en zij zullen haar daardoor altijd willen overheersen en haar haar plaats willen wijzen..

3. In tegenstelling tot de matrist, die de vrouw een hoge mate van vrijheid gunt en haar een hoge status toekent, beschouwt de patrist de vrouw veelal als de oorzaak van veel kwaad. Eva heeft immers, volgens het genesisverhaal,Adam verleid en de vrouw ziet hij dan ook als een (gevaarlijke) verleidster.

4. De patrist vindt dat wat in zijn ogen seksueel correct gedrag heet, belangrijker is dan het gevoel van welzijn. Hij zal steeds proberen duidelijk te maken dat uit correct gedrag als vanzelf welzijn ontstaat., hoewel bekend is dat dit geenszins behoeft samen te gaan. De matrist daarentegen hecht groot belang aan het welzijn van mensen en kent daarbij seksuele vrijheid een belangrijke rol toe.

5. De patrist houdt van strakke, eigenmachtig opgelegde regels, waaraan hij iedereen wenst te houden. In het algemeen typeert men de patrist als "rechts". Dit in tegenstelling tot de matrist, die eerder de neiging vertoont iedereen mee te laten praten en meestal als "links" wordt getypeerd.

6. De patrist voelt zich snel bedreigd door veranderingen, omdat die wellicht zijn zekerheden zullen aantasten, terwijl de matrist eerder voelt voor voortvarende ontwikkelingen. De matrist vindt eigenlijk dat dit beter is voor de mensheid en zal dit streven dan ook ijverig ondersteunen.

7. Het is dus begrijpelijk dat patristen meestal niet zo'n haast hebben om wetenschappelijk onderzoek te stimuleren. Zij wantrouwen het en zullen het kleineren als niet-volledig, niet terzake doende enz. De matrist daarentegen stelt zich precies tegenovergesteld op.

8. Het is duidelijk dat ieder mens zo zijn onzekerheden en twijfels heeft. De patrist zal dit bij voorkeur niet laten blijken omdat hij dit ziet als een verzwakking van zijn positie. Hij is dan ook zelden spontaan in zijn reacties. Hij straalt graag zekerheid uit, ook al voelt hij zich anders, terwijl de matrist gemakkelijk té spontaan kan reageren.

9. Omdat de patrist zich heeft geïdentificeerd met de vaderfiguur zal hij al snel de homofiele medemens ( de man dus) als een concurrent zien en dus als een bedreiging. Dit verklaart zijn soms felle reacties tot in strenge wetgeving toe. Voor de matrist echter, die zich immers geïdentificeerd heeft met de moederfiguur, zal daarom incest een grote bedreiging vormen.

10. Het is opvallend, maar begrijpelijk dat patristen in geen enkel opzicht op vrouwen willen lijken. Zij streven dus uiteraard naar een duidelijk onderscheid in deze, terwijl de matristen een groot onderscheid juist vervelend vinden. Zij willen best ook op de vrouw lijken, waaraan zij hun identiteit hebben ontleend.

11. Ook zo vrij mogelijk seksueel gedrag (dat is dus geen onbeperkt vrij gedrag, want dat verwerpt de matrist ook) ziet hij als gevaarlijk. En aangezien genot derhalve vermeden moet worden, zal hij zeker streven naar een ascetische levenshouding, ook dit weer in tegenstelling tot de matrist, die veel eerder een levensgenieter is.

12. Als de patrist kiest voor een religieuze ordening, heeft hij de neiging de godheid als mannenfiguur of vaderfiguur te zien. Ook hier plaatst hij de vrouw in een ondergeschikte rol. Hij ziet haar als onrein, als ongeschikt de godheid te naderen.

Natuurlijk is een dergelijke indeling erg generaliserend. Een zuivere patrist zal men waarschijnlijk net zo min tegenkomen als een zuivere matrist. Zo ingewikkeld zit de mens nu eenmaal ook in elkaar. Maar toch blijkt het in de geschiedenis aardig te kloppen. Men ziet dat patristische periodes een tijdlang overheersen en dan afgewisseld worden door een matristische periode. Dit is in de loop der eeuwen ongeveer driemaal gebeurd.

Meestal overheerste dus de patristische levenshouding, een vrij strenge, aan wetten gebonden leefstijl die weinig ruimte liet voor persoonlijke keuzes.

Toch kan men aan de hand van historisch materiaal constateren dat de werkelijke beleving bijna nooit klopte met wat men officieel als gedragslijn zag. Vele en uitgebreide rechtbankverslagen tonen dat overtuigend aan. Kenmerkende matristische periodes zijn bv. geweest de tijd van de troubadours en de tijd van de romantiek.

Hoe worden nu de voor-en nadelen van elke houding beschreven? En welke houding kan men maatschappelijk gezien het beste bevorderen? Het is duidelijk dat beide houdingen hun voor- en nadelen hebben. Bij het patrisme wijs ik op het voordeel dat zij meestal voor duidelijkheid kiezen. Patristen zijn ook doorgaans mensen die goed weten wat zij willen en zij zijn ook bereid daarvoor de nodige kracht te ontwikkelen .Het grote nadeel is echter dat zij anderen te weinig ruimte geven voor een eigen mening. Hun mening zien zij bijna uitsluitend als geldig en waardevol, terwijl zij afwijkingen radicaal zullen afwijzen. Er is bij hen een duidelijk gebrek aan openheid naar de ander en men moet dit aspect dan ook maatschappelijk als ongewenst zien.

Een dergelijke houding vinden we dan ook meestal bij zg. fundamentalistische en rechtsgeoriënteerde groepen. Bij het matrisme zien we weer bijna het omgekeerde. De matrist is snel geneigd de zaken op hun beloop te laten. Hij voelt niets voor dwang en alles voor vrijheid. Hij is in de regel niet politiek echt actief. Ook deze houding kan aanleiding geven tot problemen. Dat was dan ook de oorzaak waardoor het patrisme steeds weer de boventoon kon voeren. Maar er zijn, zoals ik al eerder opmerkte andere combinaties van identificatie mogelijk.

Op de eerste plaats noem ik dan de persoon die zich noch met de vader, noch met de moederheeft geïdentificeerd. Zo iemand zal zowel de vaderrol ( de regelgever) verwerpen als ook de moederrol (de zorgende).Dat betekent dat hij zich aan geen ouderpatroon heeft weten op te trekken als een goed voorbeeld voor zijn levenswijze. Zo'n figuur is geneigd tot meestal chaotisch gedrag dat hij alleen vanuit zichzelf heeft ontworpen. Hij kan gemakkelijk een maatschappelijke bedreiging vormen voor zijn omgeving.

De Duale Identieteit.

Maar als laatste en belangrijkste is daar de figuur van de mens die zich zowel met de vaderfiguur als met de moederfiguur heeft geïdentificeerd. Zo'n figuur lijkt, mits zijn ouders daartoe een goed voorbeeld zijn geweest, het meest geschikt voor verdere ontwikkelingen

-omdat hij/zij iedereen veel vrijheid gunt, maar tegelijkertijd ziet dat mensen nu eenmaal regels en afspraken nodig hebben.

-hij/zij ziet seksualiteit als een gezonde drijvende kracht voor menselijk gedrag, maar begrijpt tevens dat het een vernietigende kracht kan worden als de mens het niet aan banden leert leggen.

-vrouwen en mannen zijn niet ondergeschikt aan elkaar, maar elkaars gelijken.

-kuisheid en welzijn zijn beide bedoeld om bij te dragen tot menselijk geluk. Het begrip kuisheid krijgt hier overigens wel een heel andere inhoud dan die de patrist er aan zou geven: kuisheid is het seksuele gedrag dat de integriteit van de ander respecteert en aldus zal bijdragen aan goede intermenselijke verhoudingen.

-op die basis wordt dan ook politiek bedreven en wetenschappelijk onderzoek gestimuleerd. --

-waarheid is geen bij voorbaat vaststaand begrip, maar is een zaak waarnaar men steeds op zoek zal moeten blijven.

-genot is een geschenk aan de mens om gelukkig te zijn, al houdt dit ook in dat hier grenzen getrokken dienen te worden om de rechten en het geluk van de ander te beschermen. Met andere woorden vrijheid betekent hier geen normloosheid. Vrijheid kan alleen bestaan in relatie tot de vrijheid van de ander.

Deze identificatievorm zal echter wel steeds openstaan voor nieuwe ontwikkelingen en inzichten en voor verantwoord wetenschappelijk onderzoek.

De laatste decennia kan men zien dat deze laatste identificatievorm ruim veld heeft gewonnen. De tijd van bijna puur patrisme lijkt voorgoed voorbij, hoewel de dreiging van deze tot onderdrukking dreigende vorm niet mag worden onderschat, terwijl ook de al te vrije matristische vorm als een gevaar wordt gezien. Taylor heeft in zijn boek de laatste

Taylor heeft in zijn boek de laatste vorm geen naam gegeven. Ik geef er wel een naam aan. Zowel patristisch als matristisch betekent een dubbele identiteit, die toch ook weer op bepaalde punten tegenstrijdig kan zijn. Vandaar de naam:

" De duale identiteit."

Twee zaken mogen duidelijk zijn: Op de eerste plaats dat een zinvolle ontwikkeling van de seksualiteit de meeste kansen heeft in een situatie die gekenmerkt wordt door de duale identiteit. En het is deze vorm die wij in moderne maatschappij het beste kunnen ondersteunen in opvoeding en onderwijs.

Dat is waarschijnlijk ook het grote belang van de moderne rolverdeling van man en vrouw in het gezin. De vader én de moeder vervullen beiden zowel de zorgende als de normerende rol.

Maar op de tweede plaats is duidelijk dat de religies tot nu toe meestal een voorkeur bleken te hebben voor de patristische levenshouding. Het mag dan ook niet verbazen dat kerken als regel een afwijzende houding demonstreren tegenover homofilie. Of zij dit nu nog kunnen en mogen nastreven is dan uiteraard de vraag.

16. Hoe de kerken er mee om gingen.

In Mt.11,28-30 roept Jezus mensen op Hem te volgen en Hij doet daarbij een duidelijke belofte: Komt allen tot mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen. Want mijn juk is zacht en mijn last is licht.

En in Mt.23,1-4 en 23-24 waarschuwt Jezus tegen hen die de mensen onnodig zware lasten opleggen: In die tijd sprak Jezus tot het volk en tot zijn leerlingen: Op de leerstoel van Mozes hebben de schriftgeleerden en de Farizeeën plaats genomen. Doet en onderhoudt daarom alles wat zij U zeggen, maar handelt niet naar hun werken; want zelf handelen zij niet naar hun woorden. Zij maken bundels van zware, haast ondraaglijke lasten en leggen die de mensen op hun schouders………wee u schriftgeleerden en Farizeeën: gij betaalt wel tienden van munt, anijs en komijn, maar het gewichtigste van de wet: rechtvaardigheid, barmhartigheid en trouw verwaarloost gij. Het ene moet men doen en het andere niet nalaten. Blinde leiders, die de mug uitzift en de kameel doorslikt.

In deze teksten lichten enkele zinnen extra op als het over regels in de kerk van het Christendom gaat.

Op de eerste plaats is dat de opmerking van Jezus: Mijn juk is zacht en mijn last is licht.

Op de tweede plaats maakt Jezus duidelijk dat het Hem in deze rede om de 10 geboden gaat: Op de leerstoel van Mozes….. Op de derde plaats wil Jezus kennelijk niets weten van regels die ondraaglijk zijn: bundels van zware, haast ondraaglijke lasten… Deze teksten houden tevens een opdracht in voor ieder, die eisen meent te mogen stellen aan het geloof van anderen.

1.De last van het geloof is niet zwaar, maar juist licht en dat hoort ook zo te blijven. Zo moet het ook worden verkondigd.

2.Leg elkaar geen onnodige lasten op.

Als wij nu nagaan hoe de kerken met deze regels zijn omgegaan, krijgen wij een wat dubbel beeld; Aan de ene kant zijn er strenge regels uitgevaardigd, aan de andere kant was de praktijk o.a.bij de biecht heel vergevingsgezind. Er was altijd vergiffenis voor de rouwmoedige zondaar, hoewel de weg van boetedoening soms wel erg lang was en bijna onuitvoerbaar. En ten opzichte van de seksualiteit was het al niet anders. Het begrip voor de onuitvoerbaarheid van de eisen was groot, maar leidde toch niet tot versoepeling van de regels zelf.

Dit alles veroorzaakte een overdreven, bijna fanatieke aandacht voor seksuele zaken.

En last but not least: Binnen de Kerk van Rome maakte de opvattingen over de onfeilbaarheid van de paus het bijna onmogelijk op eenmaal verkondigde zaken terug te komen. Zo werd de vrouw dikwijls verantwoordelijk gehouden voor de gevolgen van mannelijk gedrag.

Weigering van de geslachtsdaad aan de eigen man was niet toegestaan, wanneer de man daardoor het gevaar liep ontrouw te worden door overspel. De vrouw zondigde dan notabene ook en zij was medeverantwoordelijk voor de gevolgen.

De vrouw mocht geen voorbehoedsmiddelen gebruiken en kon dus zwanger worden en dit moest zij aanvaarden ook wanneer zij dat eigenlijk niet aankon. De man was belangrijk. Zij moest voorkomen dat hij zondigde.

Alfonsus de Liguori (1787) zei hierover: ' nijpende armoede noch gevaar bij de bevalling kan een verontschuldiging vormen, omdat het gaat om een overtreding van het eerste doel van het huwelijk.

Bernardus van Siëna (1444) verlangt van de vrouw dat ze liever sterft dan aan het geslachtelijk verkeer mee te werken, wanneer zij coïtus interruptus van haar man waarschijnlijk acht.

De jezuiet Laymann (1635) stelt de vraag: " Mag een vrouw een medicament innemen om de conceptie van een kind te voorkomen, wanneer zij van haar dokter heeft vernomen of uit eigen ervaring weet dat de geboorte van een kind haar dood zal zijn? "En hij antwoordt:" Neen, want anticonceptie is strijdig met het hoofddoel van het huwelijk. " En zijn argument is uiterst vreemd: "Wanneer in enkele gevallen aan dergelijke vrouwen zou worden toegestaan de conceptie te voorkomen, zou daarvan op verbijsterende schaal misbruik worden gemaakt, zodat de menselijke voortplanting een groot verlies zou lijden."

De jezuiet Hieronymus Noldin, een belangrijk moraaltheoloog in zijn tijd, schrijft in 1911: " De Schepper heeft de lust en het verlangen daarnaar in de natuur gelegd om de mensen te verlokken tot een zaak die in wezen smerig is en lastige gevolgen heeft."

Daarin worden termen gebruikt als: "afgodsdienst van het vlees", "roemloos knechtschap over de begeerte" en "smaad van de menselijke waardigheid".

Men zou de voorgaande voorbeelden nog kunnen bagatelliseren, ware het niet dat in de praktijk de kerk soms zware straffen stelde op het niet onderhouden van de regels. In brieven werden vrouwen zo zwart gemaakt dat leven binnen de geloofsgemeenschap zo goed als onmogelijk werd. Dreigementen met hel en verdoemenis waren heel normaal

Caesarius (542) bisschop van Arles schrijft aan zijn priesters: " wie zou durven nalaten er waarschuwend op te wijzen dat geen vrouw een drank mag innemen die haar ongeschikt maakt voor de conceptie, of de kracht van de natuur beïnvloedt die naar Gods wil vruchtbaar behoort te zijn? en zelfs iedere voorkomen zwangerschap wordt door hem als moord beschouwd, getuige zijn dan volgende opmerking: "Zo vaak als zij zwanger had kunnen worden, of baren, van even zovele moorden zal zij beschuldigd worden. En wanneer zij zich niet onderwerpt aan een gepaste boete zal zij tot een eeuwige dood in de hel verdoemd zijn."

En boete betekende dikwijls algehele onthouding. Wat de gevolgen voor een gelukkig huwelijk dan zouden zijn, werd kennelijk door deze bisschop niet erg belangrijk gevonden. Maar soms kwam dan ook wel eens een vreemd aandoend soort medelijden om de hoek kijken, terwijl tegelijkertijd anticonceptie ontucht werd genoemd en kindermoord. Martinus (580) aartsbisschop van Braga in Spanje: Het plegen van ontucht, het gebruik van anticonceptiemiddelen en het plegen van abortus worden door hem op één lijn gesteld. Maar de bisschop wenste, in tegenstelling tot vroeger, barmhartigheid te laten gelden: " Wij echter, uit barmhartigheid, bepalen dat dergelijke vrouwen of andere vrouwen die medeschuldig zijn aan haar misdrijven, 10 jaar kerkelijke boete moeten doen".

Dat niet het huwelijksgeluk maar vooral het krijgen van kinderen als hoofddoel werd gezien, leidde er zelfs in sommige gevallen toe dat een onvruchtbare vrouw moest aanvaarden dat haar man een tweede vrouw nam om kinderen te kunnen krijgen. Ook Augustinus schijnt dit te hebben goedgekeurd, hoewel dit in flagrante strijd was met de kerkelijke opvattingen over het monogame huwelijk. Zelfs de strijd om het celibaat onder priesters in te voeren eiste slachtoffers vooral onder vrouwen.

En dat het geen bijzondere gevallen betrof blijkt uit het feit dat er door synodes officiëel zeer strenge regels werden uitgevaardigd, waarvan weer de vrouwen vooral de dupe werden.

Zo heeft de 3de synode van Toledo (589) bepaald dat "vreemde"vrouwen die in hetzelfde huis woonden als de clericus en daardoor argwaan wekten, door de bisschop als slavin verkocht moesten worden. Dit gebod werd zelfs op de provinciale synode van Sevilla (590) en op de 4de synode van Toledo (633) herhaald. En de synode van Augsburg (952) bepaalde dat "verdachte" vrouwen in huizen van clerici gegeseld moesten worden.

Aanvankelijk waren al die regels die uitgevaardigd werden, verwarrend, omdat zij onderling ook nogal eens van elkaar verschilden. Daarom werden pogingen gedaan er een zekere eenheid in aan te brengen.Zo ontstonden de zogenaamde boeteboeken. Dat waren verzamelingen van gegevens op moreel gebied die de biechtvaders moesten helpen tot een gedegen oordeel te komen en de juiste kerkelijke straffen op te leggen. Pas de laatste decennia, na Vaticanum II, begon er een tegenbeweging op gang te komen, zelfs onder moraaltheologen, die voorheen zelf op de oude manier moraaltheologie hadden beoefend.

Zo schreef dr. Bernhard Häring in 1954 nog een tweedelige moraaltheologische verhandeling onder de titel; " De Wet van Christus" (20), waarin hij systematisch en tot in details allerlei morele kwesties behandelde op een wijze die ook priesters steeds meer ging benauwen. Maar na Vaticanum II nam hij 1969 als auteur deel aan de serie "Sacramentum Mundi". Daarin schreef hij in deel VIII op pag. 234 het volgende:

"Tegen allen die de casuïstisch-canonistische handboeken van de moraaltheologie als blijvende uitdrukking van het klassieke katholicisme beschouwen, willen wij op de eerste plaats verklaren dat de kerk meer dan 1500 jaar niet alleen zonder dit soort moraal-theologie, maar zelfs zonder een aparte wetenschap van de moraal-theologie heeft kunnen bestaan. Was de kerk zonder zulk een in zich gesloten wetenschap minder volmaakt of minder bekommerd om de echtheid van het christelijk leven?"

En het antwoord dient kennelijk positief te zijn:" Ook in die tijd was de kerk onderweg naar volmaaktheid en was zij werkelijk bekommerd om de echtheid van het christelijk leven."

In het algemeen kan men stellen dat de Kerk van Rome t.a.v seksualiteit altijd een patristische houding heeft aangehangen. De rol van de vrouw was dan ook minimaal. Toch is er de laatste jaren heel langzaam een kentering in het denken bespeurbaar, die op wat soepeler denken lijkt te wijzen. Voor het leerambt is echter het onderwerp seksualiteit nog steeds een groot probleem. Men weet er niet echt raad mee en is bang voor koerswijzigingen en misbruik. Ook paus Johannes-Paulus II was op dit terrein niet bepaald een voorbeeld van vooruitstrevendheid. Hij remde eerder af dan dat hij aanmoedigde. Hij weigerde gewoonweg er verder over te discussiëren.

Dit allesoverziende, kan men concluderen dat de houding van kerken en in het bijzonder die van de Kerk van Rome ten opzichte van de menselijke seksualiteit niet vooruitstrevend is geweest, eerder behoudend en angstig.

17. De opvattingen van kerkvaders en kerkleraren in vroeger eeuwen.

Bleek uit de vorige hoofdstukken dat er binnen kerken allerminst eenstemmigheid bestaat t.a.v. een modernere opvatting over seksualiteit, in het nu volgende hoofdstuk zal blijken dat nog een ander argument, dat graag door het leerambt in dit kader wordt gebruikt, niet meer overeind kan blijven. Ik heb het hier over de verwijzing naar de geschriften van oude kerkvaders en kerkleraren.

Daar zijn werkelijk heel beroemde namen onder zoals die van Hiëronymus, Augustinus, Thomas van Aquino en nog anderen.En ontegenzeglijk kan men opmerken dat deze mannen voor het doordenken van de christelijke leer van grote betekenis zijn geweest en veelal nog zijn. Bestudeert men echter hun nagelaten geschriften en preken, dan blijken zij ook nogal eens opmerkingen te hebben gemaakt en boodschappen te hebben verzonden, die voor ons mensen van de 21ste eeuw om meerdere redenen onaanvaardbaar zijn geworden. En met name is dit het geval met betrekking tot het onderwerp van dit boek: de seksualiteit en dan specifiek t.a.v. de rol van de vrouw. Behalve bij de Stoïcijnen kan men vaststellen dat ook bij een aantal belangrijke kerkvaders en kerkleraren een uitgesproken afwijzende houding te bespeuren valt en dat zij soms zeer negatief dachten over de persoon van de vrouw.

Ondanks de tijdsverschillen stemden de meesten hierin overeen, dat zij in hun eigen leven veelal problemen hadden in hun gevoels- en driftleven. Door hun religieus idealisme zagen zij dit als een bedreiging voor hun vroomheid. Bovendien hadden zij gekozen voor de celibataire levensstaat, waardoor zij het zich nog eens extra moeilijk maakten. Tegen hun wens in bleef hun seksualiteit daardoor voor hen een hinderlijke rol spelen. Zij begrepen niet dat seksualiteit de hele mens omvat en niet beperkt kan blijven tot alleen maar voortplanting en lustgevoelens.Zij zagen niet in dat lust in het menselijk leven een heel wat ruimere, positieve betekenis kan hebben. En omdat zij iedere uiting van seksualiteit, en met name de erectie en de zaadlozing (want het waren bijna uitsluitend mannen) bij zichzelf wilden uitschakelen, ontstond hierover bij hen gemakkelijk paniek wanneer de natuur sterker bleek dan hun wil. Want uiteraard kwam dit steeds weer opnieuw voor. En erotische dromen werden gezien als door de duivel gezonden verleidingen. Deze steeds terugkerende paniek ontaardde in een obsessie. Hun leven werd geheel beheerst door het gevecht tegen hun eigen onvermogen. Daar kwam nog bij dat zij uitsluitend redeneerden vanuit hun man-zijn, van de vrouwelijke seksualiteit begrepen zij in ieder geval niet veel. De vrouw konden zij daardoor alleen maar zien als een extra bedreiging. Zij wordt door hen dan ook afgeschilderd als verleidster, dom, zonder inzicht.

Origenes.

Origenes leefde van 185-251 na C. Prof.Hans Küng noemt hem een briljante, veel geprezen, maar ook zeer omstreden theoloog, een man die de wetenschap zoekt omwille van het pastoraat onder mensen.( 36) Maar ook van Origenes moet men zeggen dat hij geheel geobsedeerd was door de dreiging van zijn eigen onvermogen zijn seksualiteit op natuurlijke wijze te beleven. Daarom liet hij zich op 18 jarige leeftijd castreren in zijn streven naar christelijke volmaaktheid. En hoewel hij later toegaf dat dit toch wel een vergissing was geweest, hij heeft in zijn verdere leven "geen vrouw, geen vlees en geen wijn meer aangeraakt." Hij is van mening dat, hoewel het lichaam afkomstig is van de ene, goede God, het toch bedoeld is als een soort straf, een kerker, veroorzaakt door de zondeval in het paradijs. Origenes hield er trouwens in onze ogen wel meer vreemde ideeën op na. Wat bv. te denken van zijn overtuiging dat geslachtsverkeer met een menstruerende vrouw leidt tot kinderen met afwijkingen zoals: een waterhoofd, melaatsheid, epilepsie en bezetenheid door de duivel. Zo levert hij ook kritiek op gehuwde vrouwen, omdat hij denkt dat het bij hen toch eerder om lust dan om verlangen naar kinderen gaat: "De gehuwde vrouwen moeten zich maar eens goed naar eer en geweten afvragen of zij werkelijk uitsluitend wegens kinderen naar hun man gaan. Heel wat vrouwen streven onophoudelijk naar lust, zijn erger dan dieren." En omdat het volgens hem bij geslachtsverkeer enkel en alleen om het voortbrengen van kinderen mag gaan, vindt hij kinderen verwekken met de eigen vader altijd nog beter dan met de eigen man voorkomen dat er kinderen worden geboren. Origenes vindt dus incest minder erg dan geboortenbeperking, omdat daar tenminste nog kinderen uit geboren kunnen worden.

Antonius de Grote ook wel genoemd Antonius Abt, leefde van 250-356. Hij is dus zeer oud geworden.

Athanasius, een andere tijdgenoot, bisschop van Alexandrië, heeft ons zijn boek "Het leven van Antonius" nagelaten. Daarin schrijft hij dat Antonius alle banden met zijn familie verbrak en afstand deed van zijn bezittingen. Hij zei de maatschappij vaarwel en vertrok naar de woestijn. Athanasius beschrijft dan hoe Antonius daar "ten prooi viel aan verzoekingen van de duivel van zeer suggestieve aard" vooral met betrekking tot seksuele prikkeling. Maar hoe meer hij trachtte de aanval af te slaan, met des te heviger kracht keerden de trawanten van Satan terug met het vuur van de zinnelijke lust. Dit bevestigde hem en zijn geestelijke volgelingen in de overtuiging dat van het lichaam een hevige bedreiging uitging. Elke afwijzing van de roep van het vlees werd beschouwd als een overwinning voor Christus en als een stap vooruit op de eenzame weg naar heiligheid.

In de geschriften van deze Antonius vinden we daarover ook iets terug. Zo leert hij dat de duivel zich vaak kleedt in de gedaante van een engel des lichts. En hoe kun je dan onderscheid maken? Heel simpel, schrijft hij: Kijk naar de vruchten!! "Bevorderen zulke gedachten de vrede der ziel, dan komen zij van God en de goede geesten. Stichten zij onrust en verwarring der ziel, dan zijn zij van de duivel." Antonius heeft dus niet begrepen dat deze verschijnselen gewoon en natuurlijk zijn.

Hiëronymus.

Hiëronymus leefde van 347-420. Hiëronymus bekent: "Hoe dikwijls verbeeldde ik mij, toen ik uitgedroogd door de brandende zon, in de woestijn, die barbaarse verblijfplaats voor kluizenaars, leefde, dat ik midden in de genietingen van Rome verwijlde. Ik zocht de eenzaamheid, omdat ik verbitterd was. Ik, die uit angst voor het hellevuur mij naar deze gevangenis had begeven, met schorpioenen en wilde beesten als gezelschap, verbeeldde mij, dat ik door scharen jonge meisjes omgeven was. Mijn gezicht was bleek en mijn lichaam verkild door het vasten, toch brandden mijn gedachten van begeerte en hete lust woedde in mijn lichaam dat koud als een lijk was. Ik schaam mij niet mijn diepe ellende te bekennen."

En Hiëronymus was zeker niet de enige in zijn tijd. G. Rattray Taylor vermeldt dat in die tijd van Hiëronymus een bezeten afschuw van seksualiteit zich ontwikkelde evenals een heel systeem van zelfkastijding, om die "hinderlijke"seksuele gevoelens te onderdrukken. "Halfkrankzinnige monniken vluchtten naar de verzengende woestijnen van Noord-Afrika om hun vleselijke lusten te doden: door vasten, zelfkastijding, door niet te slapen en zich niet te wassen. Ammonius folterde zich met gloeiende ijzers tot hij met brandwonden was overdekt; Nacarius ging naakt naar een moeras waar duizenden muskieten waren en liet zich zo steken dat hij bijna stierf; de heilige Simeon droeg een ijzeren gordel waardoor zijn vlees veretterde; Evagrius Ponticus bracht een winternacht in een fontein door, zodat zijn vlees bevroor" ( 18, pg 271).

Dat er een nauw verband bestaat tussen deze buitensporigheden en de onderdrukking van seksuele begeerten blijkt voldoende uit bovenstaande bekentenis van Hiëronymus.

Augustinus.

Augustinus (354-430) was de zoon van een Romeins burger en ambtenaar in de provincie Numidië (Algerije).Zijn vader Patricius was heiden en zijn moeder Monica een vrome christin. Als 17-jarige student leeft hij tot aan zijn 33ste jaar, tot groot verdriet van zijn moeder, er lustig op los, het niet zo nauw nemend met zijn relaties. In 387 ontmoet hij Ambrosius door wie hij bekeerd en gedoopt wordt. Ontegenzeglijk moet men constateren dat Augustinus voor zijn tijd een groot geleerde en begaafd filosoof is geweest. Hij doet zich kennen als een diepzinnig denker en een groot literair talent, waardoor hij in staat was een groot aantal bekende geschriften na te laten. Daarbij toonde hij zich voorstander van onthouding in het huwelijk in De Continentia (Over de Onthouding), De Bono Coniugali (Over het Goede Huwelijk) en De sancta Virginitate (Over de heilige Maagdelijkheid). Aan het eind van zijn leven (hij was toen voor zijn tijd zeer oud) schreef hij nog de Retractiones , waarin hij een aantal meningen herzag. Augustinus heeft lang de meeste invloed gehad op het kerkelijk denken van het westen. De beoordeling van Augustinus heeft inmiddels wel enige wijziging ondergaan.

Prof.Hans Kung (36) meent dat hij vooral op 5 punten verantwoordelijk is voor zeer problematische ontwikkelingen in de latijnse kerk, onder andere door de onderdrukking van de seksualiteit.

Wat opvalt is dat Augustinus ten opzichte van vrouwen een dubbelzinnig standpunt inneemt: enerzijds zijn man en vrouw als beeld van God geestelijk elkaars gelijken, maar verder is de vrouw de mindere en de ondergeschikte van de man. Zij is voor hem geschapen en niet andersom.

Het kan natuurlijk niet anders dan dat zijn wilde verleden en de problemen die hij heeft gekend om daarvan los te komen een rol hebben gespeeld bij zijn opvatting over huwelijk en seksualiteit. Daarbij spelen, psychologisch gezien, schuldgevoelens een duidelijke rol. Hij beschouwt de seksuele drang op zich dan ook als zondig. Op 70-jarige leeftijd schrijft hij nog aan patriarch Atticos van Constantinopel: "Tegen deze drang, die op gespannen voet staat met het gemoed, moet de kuisheid strijden, namelijk de kuisheid van het echtpaar, zodat de vleselijke drang op de juiste wijze aangewend wordt." Hij ziet die drang ook als een gevolg van de erfzonde: "Als deze drang in het paradijs bestaan zou hebben, dan zou hij door de wonderbaarlijke grootte van de vrede nooit de wil overtroffen hebben." Dat de seksuele begeerte ook de relatie tussen partners kan verrijken en verdiepen was voor Augustinus totaal ondenkbaar, omdat zijn eigen ervaringen daaraan tegengesteld waren.

Aan Paulus wordt hier de vraag gesteld: Is het goed voor een man geen omgang te hebben met een vrouw? En het antwoord van Paulus is heel duidelijk: Jullie hebben recht op elkaars lichaam en het is niet verstandig dat elkaar te weigeren anders kon de satan daar wel eens misbruik van maken. En Paulus wijst op één uitzondering: maar alleen in onderling overleg en met wederzijds goedvinden: als je je terug wilt trekken voor gebed. Paulus geeft dus duidelijk aan dat hij geslachtsverkeer goedkeurt. Bij Augustinus vinden we dan als vertaling dat men geslachtsverkeer kan vergeven, d.w.z. geslachtsverkeer is eigenlijk zondig. Bij Paulus gaat het over de trouw en het bewaren van de goede relatie. Bij Augustinus is slechts één reden denkbaar: het verwekken van kinderen Dat is ook de reden dat Augustinus aan de tekst van Paulus in 1 Kor. een andere betekenis toekent dan kennelijk de bedoeling van Paulus was.. In feite is voor Augustinus de seksualiteit geen deel van het totale mens-zijn, maar een toegevoegde "onwaarde", een noodzakelijk kwaad. En de Weense historicus Friedrich Heer schreef in zijn "Gottes erste Liebe": "Het noodlottige proces van de ontseksualisering van de liefde wordt in het Avondland, in Europa, door Augustinus op beslissende wijze bevorderd."(15, pag.66) Aan Augustinus hebben wij het ook te danken dat seksualiteit moreel verbonden wordt met angst voor zonde en verdoemenis.

Thomas van Aquino (1224-1274).

Bijgenaamd de doctor angelicus (de engelachtige leraar). Thomas werd geboren in 1224 uit een adellijk geslacht als zoon van ridder Landulf van Aquino in het familieslot Roccassa, ergens tussen Rome en Napels. In 1244, op 19-jarige leeftijd, trad Thomas in bij de Orde der Dominicanen. Uiteindelijk leefde en werkte hij in Napels, Parijs, Keulen, weer Parijs, Rome (curie), en weer Parijs. Tot slot in de plaats waar hij was begonnen: in Napels. Een indrukwekkende loopbaan dus, waardoor hij veel belangrijke mensen leerde kennen en op hen ook de nodige invloed had.

De filosofie en theologie van Thomas. Thomas bestudeerde en onderwees vooral de H.Schrift. Maar daarnaast, en binnen het kader van die H.Schrift, ook en vooral de oude opvattingen van Aristoteles, de bekende Griekse filosoof Thomas had in feite maar één doel: de filosofie en de natuurkunde volgens Aristoteles zo te verklaren dat zij bij christengelovigen een verdieping van hun geloof konden bewerk-stelligen. Prof.H.Kung zegt daarover:" Het ging dus niet om een restauratie, maar om een transformatie. Geen reparatie, maar ombouw dus."

Daardoor ontwierp Thomas, hoewel op hem voortbouwend, een anders getinte theologie dan Augustinus: het werd een nogal droge, rationele, soms zelfs wat harde theologie, die bestemd was voor de geleerden op de universiteiten. Men moet dan ook bij Thomas geen geheel nieuwe samenhang der dingen verwachten. De vraag rijst dan waarom Thomas qua visie geen echte vernieuwing op gang bracht? Voornamelijk wordt dat veroorzaakt doordat hij in feite toch voortbouwde op voorgangers als Aristoteles en Augustinus. Hij bleef in wezen afhankelijk van het oude wereldbeeld en dat wereldbeeld was voor een belangrijk deel gebaseerd op filosofische en natuurkundige uitgangspunten, die wij heden ten dage niet meer aanvaarden. Het een en ander moge duidelijk worden uit het hierna volgende.

1.Thomas was zo fanatiek in zijn afwijzing van de geslachtsdaad omdat deze daad volgens hem de geest zou verduisteren en zelfs zou doen oplossen. Het zou leiden tot geesteszwakte. En de maagdelijkheid heeft volgens hem het grote voordeel dat er geen beschadiging van de rede plaats vindt.

2.Opvallend is de lange reeks negatieve termen die men over seksualiteit bij Thomas vindt: immunditia (onreinheid), macula (bevlekking), foeditas ( afschuwelijkheid),turpitudo (schandelijkheid), ignominia (smaad), deformitas (ontaarding of misvorming), morbus (ziekte), corruptio integritatis (bederf van de heelheid).

3.Er zijn voor Thomas evenals voor Augustinus slechts twee manieren om zonder grote zonde geslachtelijk verkeer te hebben: Ter verwekking van kinderen en als plichtsvervulling tegenover de echtgenoot die daarom vraagt, want anders zou hij wel eens ontucht kunnen plegen.

4.De oorsprong van de gedachte dat de man de verwekker is van het leven is, zoals hier al eerder aantekende,veel ouder dan het christendom. Al in 525 v.C. spreekt Aeschylos hierover: "De moeder is voor het kind, dat haar moeder noemt niet de bron van het leven, maar zij koestert de jonge kiem; de vader wekt, de moeder hoedt het kind.

5.Thomas acht masturbatie/zelfbevrediging van de man een groter kwaad dan ontucht. Bij ontucht is immers nog een kans dat er nieuw leven gewekt kan worden.

6.De gedachte dat mannelijk zaad als enige het actieve verwekkingsbeginsel is, heeft zich dankzij Thomas dermate gehandhaafd, dat men ook thans nog nieuwe kennis op dit terrein gemakkelijk negeert, zodra hieruit theologische conclusies zouden volgen. (15,pag.156)

7.Thomas heeft van zijn leermeester Albertus Magnus de oude gedachte overgenomen dat de vrouw eigenlijk een mislukte man is. Die gedachte komt van Aristoteles, hoewel diens werken aanvankelijk door de kerk werden afgewezen.

Deze theorie luidt als volgt: de actieve kracht in het mannelijk zaad wil eigenlijk steeds voortbrengen wat even volmaakt is, namelijk weer een man. Door ongunstige omstandigheden echter ontstaan vrouwen, d.w.z mislukte mannnen" Aristoteles noemt de vrouw : arren peperomenon d.i. een verminkte mens. Albertus en Thomas vertalen dat als mas occasionatus, dat betekent zoiets als toevalligheidsman. Bedoeld wordt: iemand die niet als zodanig was bedoeld, maar uit een defect is ontstaan. Met andere woorden elke vrouw is een mislukking.Deze theorie luidt als volgt: de actieve kracht in het mannelijk zaad wil eigenlijk steeds voortbrengen wat even volmaakt is, namelijk weer een man. Door ongunstige omstandigheden echter ontstaan vrouwen, d.w.z mislukte mannnen" Aristoteles noemt de vrouw : arren peperomenon d.i. een verminkte mens. Albertus en Thomas vertalen dat als mas occasionatus, dat betekent zoiets als toevalligheidsman. Bedoeld wordt: iemand die niet als zodanig was bedoeld, maar uit een defect is ontstaan. Met andere woorden elke vrouw is een mislukking.

8.Thomas acht de vrouw ook niet geschikt om kinderen op te voeden. De man is daartoe beter in staat "door zijn meer volmaakte rede." Maar hoe zit het dan met nonnen en weduwvrouwen, die ongehuwd blijven en in onthouding leven? Ook daarop heeft Thomas een antwoord gevonden: "Doordat zij de gelofte van maagdelijkheid of van de weduwenstand afleggen en zo de bruid van Christus worden, worden zij verheven tot de waardigheid van de man.(promoventur in dignitate virilem)

9.Thomas is ook van mening dat de ziel van de man door de aanraking met de vrouw van zijn verheven hoogte valt en daardoor onder "een slavernij, die bitterder is dan alle andere." Thomas denkt zoals Augustinus die zei: "Niets trekt de geest van de man zozeer naar beneden als de liefkozingen van de vrouw en de aanraking van de lichamen, zonder welke een man zijn vrouw niet kan bezitten."

10. Thomas haalt ook elders Augustinus aan: "de hulpe die God voor Adam heeft geschapen in de vorm van een vrouw had uitsluitend betrekking op hulp bij de verwekking, aangezien voor alle andere werkzaamheden een man een betere hulp zou zijn voor de man."

11. En tot slot: De kinderen moeten rekening houden met de grotere voortreffelijkheid van hun vader. Thomas zegt: "de vader moet meer bemind worden dan de moeder, omdat hij het actieve verwekkingsprincipe is en de moeder het passieve."

Ook bij Thomas moeten wij constateren dat hij uitging van ook voor die tijd onzekere, speculatieve gegevens, die later volstrekt onjuist bleken te zijn.Bovendien valt zijn onderwaardering op voor de persoon van de vrouw. Uit alles blijkt dat Thomas in werkelijkheid niets begreep van seksuele relaties. Evenmin was hij in staat de seksualiteit te zien als een gave Gods. Daarom kunnen wij Thomas in deze niet zien als een betrouwbare gids.

Concluderend kan men zeggen dat een verwijzing inzake menselijke seksualiteit naar de opvattingen van kerkvaders en kerkleraren geen hout snijdt, omdat hun opvattingen onjuist zijn en voor ons anno 2006 niet aanvaardbaar. Niet alleen hun opvattingen over de menselijke seksualiteit in het algemeen vallen daaronder, maar ook de miskenning van de vrouw en de functie van de relatie als hoofddoel van het huwelijk, waarbinnen man en vrouw elkaars gelijke zijn en elkaar dienen aan te vullen. Een beroep op hun standpunten zou zelfs leiden tot strijd met de algemeen erkende mensenrechten.

18. De wetenschap wijst op veranderde inzichten.

Na de vaststelling hoe in het verleden over veel inzake seksualiteit werd gedacht, is het belangrijk nu te bezien hoe moderne kennis ons tot andere inzichten brengt. De laatste twee eeuwen hebben de natuurwetenschappen een hoge vlucht genomen. En er is werkelijk geen terrein in de natuur te vinden waarnaar niet op de een of andere manier onderzoek werd gedaan. En niet alleen de natuurwetenschappen, maar ook taal en filosofie, psychologie, sociologie, exegese en dergelijke wetenschappen droegen hun steentje bij.

Het resultaat was een geheel andere manier van denken. Het onderwijs werd meer omvattend op meer en verschillende niveaus en dit leidde er weer toe dat de ontwikkeling van een groter deel van de mensheid op een hoger peil kwam. Men veroorloofde zich op grond daarvan grotere vrijheid en eiste het recht op zelf belangrijke beslissingen te nemen. Men begon meer naar de wetenschap te luisteren dan naar de kerken. Wij zien hier ook de vakbonden ontstaan als een middel voor eigen rechten op te komen. De democratische gedachte won steeds meer terrein en de vrouwenemancipatie groeide tegen de verdrukking in.

Zelfs de politiek en de rechtspraak, meestal behoudend als het op vernieuwing aankomt, veranderden en bleken gevoelig voor emanciperende gedachten zoals invloed van arbeiders in de bedrijven, stakingsrecht, democratische rechten voor alle burgers enz. En ook de homobeweging kreeg steeds meer voet aan de grond en verwierf ook meer maatschappelijk aanzien. Doch kerken wisten daarop weinig adequaat te reageren.

Zij zagen die activiteiten dikwijls als een bedreiging van het geloof en als een ontkenning van wat zij tot dan toe, dikwijls met veel nadruk, hadden onderwezen en namen daardoor veelal een afwijzende houding aan. Het kwam menigmaal zelfs tot ontkenning van de waarde van deze ontdekkingen en dat heeft gevolgen tot op de dag van vandaag. Hoe lang heeft het niet geduurd voordat de kerk van Rome de democratie als de meest geschikte regeringsvorm durfde erkennen, nadat zij het jarenlang en officieel had afgewezen? En hoe lang heeft het niet geduurd voordat men binnen de kerken aandacht voor de evolutie begon te tonen? En nog steeds komt men bij sommige kerken die afwijzende houding tegen.

Ook toen onder gelovige wetenschappers nieuwe meningen werden erkend, bleef dat wantrouwen onnodig lang in stand. Het kerkelijk gezag wantrouwde zelfs haar eigen leden daarin. En menig theoloog zag zich zijn kerkelijke leeropdracht ontnomen. Wetenschap en geloof werden elkaars tegenstanders in plaats van dat zij elkaar aanvulden. Op elk bovengenoemd terrein werd wel door kerken op de rem getrapt. Ook de latere ontwikkelingen op het terrein van de taalwetenschap en de exegese, werden met wantrouwen bekeken.

En kerken staan nog steeds niet echt welwillend tegenover nieuwigheden in de wetenschap.En vooral vindingen die rechtstreeks met het leven te maken hebben, worden al snel met het nodige wantrouwen bekeken. En eerlijk gezegd is dat wantrouwen niet altijd ten onrechte. Ook wetenschappers hebben soms de neiging op hol te slaan in hun enthousiasme om nieuwe ontdekkingen te publiceren. Maar in kerken wordt ook dikwijls vergeten, dat de geschiedenis verder gaat en dat het weinig zin heeft te ontkennen wat na degelijk wetenschappelijk onderzoek komt vast te staan.

Ook met betrekking tot het onderwerp van dit boek is het onbegrijpelijk dat enkele toch heel belangrijke ontdekkingen, die direct verband houden met de menselijke seksualiteit, en die al lange tijd geleden zijn ontdekt, geen werkelijke vernieuwing in het denken heeft te weeg gebracht.Denk aan de ontdekking van de eicel in 1827 en 1875, nieuwe kennis over het ontstaan van nieuw leven en het veel te scherpe onderscheid man/vrouw, waar vele variaties blijken te bestaan.

Maar ook enkele politieke ontwikkelingen zoals: Het ontstaan van de Verenigde Naties. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De Universele Verklaring van Menselijke Verantwoordelijkheden. De activiteiten van de Verenigde Naties op dit terrein.

19. Verandering in het gelovend denken.

Het rommelt dus in de kerken. En de oorzaak is ook wel aan te geven. Om dit duidelijk te maken eerst een oud chassidisch verhaal: "Een meester vroeg op een dag aan zijn leerlingen: Wat is volgens jullie de grootste ramp die het joodse volk is overkomen? De vierhonderd jaar slavernij in Egypte, zegt een eerste leerling. Nee, zegt de meester. De verwoesting van de tempel, stelt een tweede voor. Nee, zegt de meester. De ballingschap, probeert een derde. Nee, zegt de meester. De sjoa, zegt een vierde. Nee, zegt de meester, enigszins provocerend. Het is noch de Sjoa, noch de ballingschap, noch de verwoesting van de Tempel en ook niet de slavernij. Wij snappen het niet, geven de leerlingen in koor toe. De grootste ramp die het joodse volk is overkomen, zei de meester, is dat de Tora een godsdienst is geworden!" (uit Chassidische Vertellingen door Martin Buber.)

De Tora, die wij terugvinden in het Oude Testament, is een belangrijk boek voor Joden en Christenen. Daarin vinden zij de inspiratie tot een gelovige levenshouding

Wat is nu de bedoeling van bovenstaand verhaal? Het verhaal wil zeggen dat de Tora, doordat men deze heeft gedegradeerd tot een aantal starre regels, niet meer tot leven kan komen in de harten van mensen. Het gaat niet meer om het echte leven van alle dag en om de persoonlijke relatie met God. De spontaneïteit is er uit. Met godsdienst wordt hier dus iets negatiefs bedoeld, omdat het een stelsel van regels is geworden, waaraan men de juiste geloofshouding bij de ander wil afmeten. Wij noemen dat meestal een ideologie. Het leven is er uit, terwijl het in de Tora juist om het echte leven gaat en vooral om de allerpersoonlijkste en geheimvolle relatie met God. Godsdienst verwordt zo tot ideologie, tot: " Zo is het en niet anders."

Marc-Alain Ouaknin, rabbijn en filosoof, heeft veel nagedacht over de zin van geloven en vooral ook over het lezen en interpreteren van religieuze teksten. In zijn boek " De Tien Geboden" (61)schrijft hij daarover interessante dingen. In dat verband haalt hij ook een andere chassidisch verhaal aan, dat veel duidelijk maakt: " Een leerling kwam zijn meester bezoeken.Deze vroeg hem:" Wat heb je geleerd?"De leerling antwoordde: " Ik ben drie keer door de Talmoed heen gegaan." En de meester zei:" Maar is de Talmoed ook door jou heen gegaan?"

Het gaat hier met name over het zich teweer stellen tegen pasklare gedachten.

Naar mijn mening is dat gegeven de kern van het probleem in het gelovige denken van sommige kerkelijke leiders. Zij claimen te veel hun eigen gedachten en geven te weinig ruimte voor het eigen denken, de eigen ontdekking en de eigen relatie met God van iedere gelovige. Zij zijn te bang voor het individuele geloven en zien daarin een bedreiging voor het gemeenschappelijke dat immers ook in iedere kerkvorming aanwezig is. Zij zien te weinig dat het één het ander juist kan ondersteunen en versterken

Maar de moderne mens heeft ook ontdekt dat voor de meeste problemen in het leven géén pasklare antwoorden zijn te geven en dat ieder mens op zijn manier de weg moet zoeken die het best bij hem past. De moderne mens heeft ontdekt dat voor iedere tijd een andere benadering van het leven noodzakelijk is. Deze mens heeft ook ontdekt dat geloven een heel lang leerproces is, soms een leven lang en met de nodige veranderingen.

Sociologisch gezien is geloven zo inderdaad meer een individuele aanname geworden, hetgeen overigens niet uitsluit dat mensen zich toch graag bij anderen aansluiten. En is dat niet het eerste bestaansdoel van godsdiensten: Een gemeenschap vormen om elkaar tot steun te zijn? Maar het is juist dat individualisme dat door kerkleiders als bedreigend wordt ervaren.

Kortweg gezegd: de moderne mens heeft een afkeer ontwikkeld tegen pasklare antwoorden, die voor iedereen en voor alle tijden zouden moeten gelden. Er zijn voor hem teveel "waarheden" uit het verleden onderuitgehaald om een dergelijke houding nog te kunnen rechtvaardigen.

De moderne mens heeft ook veel meer mogelijkheden kennis te nemen van nieuwe gegevens dan in welke voorgaande periode dan ook. Niet alleen radio en televisie, maar vooral de computer en de mogelijkheden daarmee overal op de wereld over allerlei kennis te beschikken. Dat alles bij elkaar heeft er voor gezorgd dat heel veel mensen van mening zijn dat het wel zinvol is naar de waarheid te zoeken, maar dat die geenszins tevoren en voor alle tijden kan vaststaan. Maar het bestuur- en leersysteem van kerken is juist dikwijls ontstaan vanuit een geheel ander systeem van denken. Eén grootheid meende alle anderen te mogen voorschrijven hoe te leven en te denken. De mogelijkheden daartoe hadden deze mensen ook, omdat zij tevens over de geestelijke of politieke machtsmiddelen beschikten om zo nodig dwang toe te passen.

Maar die tijden zijn definitief voorbij. Toch zien wij bijvoorbeeld in de Kerk van Rome dat die manier van besturen nog steeds de voorkeur heeft. Er is te weinig ruimte voor een persoonlijke ontdekkingsreis. Het leerambt meent er op de eerste plaats voor te moeten zorgen dat iedere gelovige de rechte leer aanhangt. Daardoor is het te veel bezig met controleren en goedkeuren of afkeuren. En wanneer dan tevens zaken verkondigd worden die door de moderne wetenschap op goede gronden worden afgewezen, dan is Leiden in last. Dit alles remt te veel zaken binnen de kerk af. Het denken en besturen is dan te centralistisch. Te weinig wordt er vanuit gegaan dat juist de plaatselijke kerk de grootste rol dient te spelen. Een wereldkerk mag dan haar nut hebben, de wereldkerk bestaat toch bij de gratie van de plaatselijke kerken. Het is daar dat de gelovige door zijn onderlinge contacten leert geloven. En zoals Paulus al zei: Wij mogen geen dwingeland zijn van elkaars geloof. En of kerkbestuurders het nu leuk vinden of niet, deze ontwikkeling in het denken van gelovigen laat zich niet meer terug draaien. Dat geldt ook voor de leer over de seksualiteit. Mensen zullen er zelf voor zorgen dat hun leven leefbaar blijft.

AMRUTHA, roman in het Engels
door John Wijngaards
Hoe komen wij de verouderde sexuele moraal te boven?
Het christelijk genieten van seks Veelgestelde vragen
Fantasieën Naaktheid Voorbehoedsmiddelen Schuld Homoseksualiteit Masturbatie
Nieuw focus in de Katholieke seksuele moraal/ academische bronnen


Homofilie Normaal door Ton G. M. Smits

Voorwoord

Geschiedenis

Onderzoek

Conclusies

Samenvatting

Literatuur

Genderwoorden

Teksten