French English NederlandsItalian
meer informatie op onze Engelse afdeling
Homofilie normaal

DEEL 3: Wat we nu weten.

In: Homofilie normaal

Een veelzijdig onderzoek. naar erkenning van homofilie

door Ton G.M. Smits, 2007

20. Een ontdekking van onderschatte betekenis:

Dr.K.E.Baer ontdekt de eicel. Naast de vele ontdekkingen in de diverse wetenschappen is er ook sprake van ontdekkingen, die meer specifiek te maken hebben met het onderwerp seksualiteit. Eén daarvan, die in de moraaltheologie weinig of geen aandacht heeft gekregen en daardoor te weinig invloed heeft gehad op het denken over seksualiteit, is de ontdekking van de vrouwelijke eicel door dr.K.E.Baer in 1827.

Je kunt je voorstellen, dat een dergelijke ontdekking niet meteen van invloed is geweest op het denken van die tijd. Dat het echter na zo lange tijd nog niet is gekomen tot een andere beoordeling van vele zaken, is eigenlijk verbazingwekkend.

Al sinds Aristoteles werd druk gedebatteerd over het biologisch ontstaan van een nieuw mensenkind: Was het embryo al voorgevormd in de mannelijke zaadcel, (van de vrouwelijke eicel had men nog geen idee), zodat het al vanaf het begin een mens in miniformaat was? (men noemde dat een homunculus).Of was het een ongedifferentieerde vorm binnen de zaadcel, die stap voor stap tot specialisatie kwam? (Aristoteles) Deze laatste theorie kreeg in de loop van de tijd steeds meer de voorkeur en de Engelse natuurkundige William Harvey gaf er de naam "Epigenesis" aan. De Duitse natuurkundige Caspar Friedrich Wolff en vooral de Pruisisch-Estlandse wetenschapper Karl Ernst, Ritter von Baer bewezen de epigenesis door de ontdekking van de "mammalian ovum"(het vrouwelijke ei) in 1827.

Het belang van Baer ligt vooral hierin dat hij de grondslag legde van de moderne vergelijkende embryologie in zijn tweedelig werk "Über Entwickelungsgeschichte der Tiere"(1928). Daarnaast werd Roux, bekend om zijn baanbrekende studie van kikkereieren (1885), de grondlegger van de experimentele embryologie. En op dit onderwerp ontving Hans Spemann een Nobelprijs in 1935.

Wie was K.E.Baer? Karl, Ernst, Ritter von Baer (hij was van adel) werd geboren op 29 februari 1792 en leefde tot 28 november 1876. In 1810 ging hij studeren aan de Universiteit van Dorpat aan de faculteit der geneeskunde.

Op de universiteit van Würzburg kwam hij in aanraking met Ignaz Döllinger en daardoor met de vergelijkende anatomie. Langs die weg maakte hij kennis met de studie van de embryologie. En uiteindelijk stelde hij vast dat alle gewervelden ontstaan uit een ei-vorm. En in 1827 beschreef hij de ontdekking van de vrouwelijke eicel (mammalian ovum) in: "De ovi mammalium en Hominis Genesi (over de vrouwelijke eicel en het ontstaan van de mens), daarbij aantonend dat ook elk menselijk wezen zich ontwikkelt vanuit een eicel. Hij ging daarna nog verder met de bestudering van alle ontwikkelingen daaromheen.(Bron: The New Encyclopedia Brittannica, 15e edition 1998, deel 1.)

Wat is nu het belang van de ontdekkingen van Baer? Nog afgezien van allerlei andere wetenschappelijke belangen van zijn ontdekking, lijkt mij vooral voor het moraal-theologische denken van belang dat het tot dan toe volstrekt vaststaande denken over de unieke belangrijkheid van de mannelijke zaadcel definitief en fundamenteel onderuit werd gehaald. In een eenvoudig maar plastisch beeld zou men die oude denkwijze als volgt kunnen omschrijven: "Door de geslachtsdaad worden de mannelijke zaadcellen die als dragers werden gezien van alle mogelijkheden voor nieuw leven, uitgezaaid op de vrouwelijke akker (de baarmoeder). En wanneer de vrouw voldoende gezond bleek, kon daar dus, gevoed door het vrouwelijk lichaam, dit nieuwe leven verder groeien."

In die denkwijze werd verspilling van het sperma als groot kwaad gezien. Onanie en onderbreking van de geslachtsdaad (coïtus interruptus)of het gebruik van welk voorbehoedsmiddel dan ook: alles werd veroordeeld als bedreigend voor wat men als mogelijk kansrijk menselijk leven zag. Het enige uitgangspunt was in feite de mannelijke zaadcel, drager van alle mogelijkheden.

Elk verhinderen van de groei van iedere zaadcel tot menselijk leven werd als een aanslag op het leven zelf en daarom als groot kwaad beschouwd. Bovendien achtte men het in gelovige kringen in strijd met de 10 Geboden. Het belang van de vinding van dr.K.E.Baer is vooral gelegen in de vaststelling dat noch de zaadcel noch de eicel, alleen en op zichzelf, zelfstandig levensbeginsel kunnen worden genoemd. Er is immers pas sprake van een echt levensbeginsel (d.i. een aanwezige mogelijkheid van menselijk leven) nadat eicel en zaadcel versmolten zijn, een ontdekking in 1875 van o.a. O.Hertwig, die de vondst van Baer nog eens bevestigde. Daar komt nog bij dat inmiddels vaststaat dat zaadcellen vele functies hebben die voorheen niet bekend waren.(64). In hoofdstuk 23 komt dit nog aan de orde. Daar zal bijvoorbeeld blijken dat niet iedere zaadcel in directe zin wordt gebruikt voor de voortplanting, omdat sommige een andere functie hebben.

Wanneer we na de ontdekkingen van Baer en Hertwig al conclusies hadden getrokken, dan hadden we enkele normen over de menselijke seksualiteit duidelijk anders kunnen invullen, want: 1. Die ene eicel is van grotere invloed op de procreatie dan de miljoenen zaadcellen, die bijna alle verloren gaan. 2. De zaadcellen komen dus in zulke grote aantallen voor dat het bij voorbaat vaststaat, dat nooit iedere zaadcel tot bevruchting kan leiden. 3.En niet alleen dat niet iedere zaadcel direct bijdraagt aan het bevruchtingsproces. Sommige zaadcellen hebben een heel ander functie.

Toch is, vooral in het kerkelijke denken, de gedachte, dat de zaadcel de norm is, nog steeds aanwezig.Uiteraard wordt dat in alle toonaarden ontkend, want dat zou een onderwaardering van de eicel en dus van de vrouw betekenen. En dat kan ook een kerk zich in deze tijd niet meer veroorloven. Maar uit een nauwkeurige studie van de situatie zal naar mijn mening toch blijken dat deze gedachte latent nog steeds een rol speelt.

Al deze ontdekkingen hebben voorgoed duidelijk gemaakt dat de man in deze een heel wat minder belangrijke rol speelt dan de vrouw. De vrouwelijke eicel bevat in hoge mate de meest bepalende eigenschappen en mogelijkheden van de toekomstige mens. En die kennis moet voeren tot een andere beoordeling van het seksuele handelen van zowel mannen als vrouwen. En uiteraard zal dat van invloed moeten zijn op ons denken over homofilie

21. De vergeten vrouw.

"Niemand heeft vrouwen ooit gevraagd wat hun gevoelens omtrent sex zijn. Onderzoekers hebben gezocht naar statistische "normen", en talloze verkeerde vragen gesteld om talloze verkeerde redenen - en ten slotte kwam het er vaak op neer dat zij de vrouwen vertelden hoe hun gevoelens behoorden te zijn, in plaats van de vrouwen te vragen wat die gevoelens waren. De vrouwelijke seksualiteit is altijd beschouwd als een reactie op mannelijke seksualiteit en coïtus. Zelden heeft iemand erkend dat de seksualiteit van de vrouw een volstrekt eigen karakter zou kunnen hebben dat meer zou zijn dan uitsluitend de logische tegenhanger van (wat wij beschouwen als) de mannelijke seksualiteit." Citaat uit het Voorwoord in "Het Hite rapport, een studie over de seksualiteit van de vrouw." (22) door Shere Hite.

"Ik waag de hypothese dat aan de Mariafiguur als géén ander te demonstreren is hoe ambivalent de kerk en haar theologen zich hebben opgesteld ten aanzien van de menselijke seksualiteit. En met name tegenover de seksualiteit van vrouwen. Omkeringsmodellen en mechanismen hebben uiteindelijk van Maria een onmogelijk model gemaakt, dat wordt uitgespeeld tegenover vrouwen, dat niet kritisch is voor mannen en dus de kloof moet legitimeren die de kerk heeft laten bestaan tussen (vrouwelijke) seksualiteit en de bemiddeling van het heilige." Citaat uit :"Maria, gisteren, vandaag, morgen."(51) door Edward Schillebeeckx en Catharina Halkes. Pag.81.

Het was zeker niet alleen in de kerken dat de positie van de vrouw werd ondergewaardeerd en verwaarloosd. In het algemene maatschappelijke denken gebeurde precies hetzelfde. Hoe lang heeft het niet geduurd eer vrouwen in de politiek enige invloed kregen.

Er ontstonden niet voor niets elke keer weer bewegingen die meer aandacht eisten voor de rechten van de vrouw. Dat gebeurde over de gehele wereld. Zo ontstond al in 1848 De Vrouwenbeweging, internationaal genaamd Women's Liberation Movement,die in de loop der jaren in vele landen allerlei acties voerde om rechten voor vrouwen te verkrijgen. Daarom schreef Simone de Beauvoir in 1949 (let wel: 100 jaar later) het beroemd geworden boek "Le deuxième sexe"waarmee zij forse kritiek uitte op de culturele en maatschappelijke overheersing van mannen, die er toe had geleid dat vrouwen steeds weer werden beoordeeld en vergeleken met hetgeen mannen presteerden en wilden bereiken, waardoor vrouwen gedegradeerd werden tot een tweederangs sekse. In Amerika schreef Betty Friedan in 1963 The Feminine mystique en in Nederland verscheen in 1967 in het tijdschrift De Gids het artikel "Het onbehagen bij de vrouw" van de hand van Joke Kool-Smit, waarin zij de privileges van mannen ter discussie stelde. En dit artikel sloeg in als een bom en bracht opnieuw veel discussies op gang. In de loop van de jaren ontstond ook nog een zeer opvallende actie, die bekend is geworden onder naam Dolle Mina met de leus "Baas in eigen Buik".

Toch begon het besef door te breken dat het om meer ging dan alleen om de vrouw. Vrouwen én mannen moesten gelijke kansen hebben. Daarom werd in 1968 "Man-Vrouw-Maatschappij" (MVM) opgericht, waarmee men de doorbreking van de traditionele rolpatronen voor zowel vrouwen als mannen wilde bereiken. Het ging er om dat beide seksen gelijke ontplooiingskansen en recht op betaalde arbeid dienden te krijgen. Maar ondanks de invoering van de Wet Gelijke Behandeling in 1992 bleek er toch nog steeds van achterstelling van vrouwen. Het blijft een taaie strijd die nog steeds om ingrijpen van de wetgever blijft vragen. Zo moest bijvoorbeeld het Europese Hof er aan te pas komen om vast te stellen dat ook vrouwen die parttime gewerkt hadden, recht hebben op pensioen.

Dit alles had alleen nog maar te maken met de maatschappelijke kant van de emancipatie van vrouwen. Uit het onderzoek van Shere Hite uit 1974-1976 (22) bleek dat ook op seksueel gebied de vrouw een grote achterstand had opgelopen.

Kerken konden dit soort onderzoeken niet erg waarderen. Dat werd onder andere veroorzaakt door het feit dat kerken niet gewend waren over seksualiteit openlijk van gedachten te wisselen. Men vond het al snel verdacht en onzedig. Maar ook bleek dat de kerken niet veel van de vrouwelijke seksualiteit hadden begrepen. Logisch eigenlijk aangezien kerkelijke gezagsdragers als regel mannen waren en in de kerk van Rome ook nog eens celibatair.

Over de werkelijke seksualiteitsbeleving van de vrouw werd eenvoudigweg niet gerept of de vrouw werd voorgesteld als een min of meer aseksueel wezen.

Ten aanzien van het onderwerp van dit boek werd liever niet vermeld dat ook vrouwen homofiele gevoelens kunnen hebben of het werd "minder erg" gevonden. Over het samenwonen van lesbiennes werd ook bijna nooit moeilijk gedaan. Dat is in feite toch een miskenning en onderwaardering van de werkelijkheid. De verhouding tussen man en vrouw werd voornamelijk door mannen bepaald.

Dat had ook tot gevolg dat de eventuele overeenkomsten en verschillen tussen mannen en vrouwen niet of onvoldoende werden bestudeerd. Maatschappelijk gezien was het immers niet gewenst dat mannen verbonden werden met vrouwelijke eigenschappen. Ook dat had de nodige gevolgen voor de beoordeling van homofilie.

22. Hoezo man en vrouw?

Een aardig raadsel voor kerkjuristen. Stel een jongeman biedt zich aan voor de priesteropleiding. Alles verloopt naar wens: examens, toelatingseisen, enz. Halverwege de studie ontdekt hij dat hij "homofiel" is, maar dat is helemaal geen bezwaar, want zo zijn er wel meer priesters. Ze mogen zich zo voelen, als aanleg oké, mits er maar niet naar gehandeld wordt. Enkele jaren na zijn priesterwijding komt de jonge priester, die immers volgens de kerkelijke leer het eeuwig kenteken van de wijding draagt, tot de ontdekking dat hij zich transseksueel voelt. Dat gevoel gaat zodanig overheersen dat hij uiteindelijk instemt met een behandeling en operatie die hem ook uiterlijk tot vrouw maakt.

Hij/zij voelt zich daarna heel gelukkig en blijft volledig celibatair leven. Conclusie: De kerk heeft zonder dat zij dat wil een tot priester gewijde vrouw in haar midden. Tot nu toe dus een heel groot kerkelijk probleem. Vraag aan de juristen: Is deze vrouw priester of niet? En waarom wel of niet? Overigens zie je het natuurlijk al aankomen dat Rome de nodige maatregelen zal nemen: De behandeling verbieden.Verbod om nog verder priesterlijke functies uit te oefenen. Want zo gaat het dan in de praktijk Maar daarmee is de vraag uiteraard niet beantwoord.

Ik begon dit hoofdstuk opzettelijk met dit voorbeeld om aan te geven hoe ingewikkeld zaken rond seksualiteit worden als wij blijven uitgaan van de eenvoudige indeling in mannen en vrouwen. Door onze eigen opvoeding en onder invloed van kerkelijk en maatschappelijk denken worden wij bij voorbaat op het verkeerde been gezet: een man is een man en dient zich ook zo te voelen. En dat geldt ook voor vrouwen: Een vrouw behoort zich vrouw te voelen en daarmee uit!

Maar toch is er al lange tijd het gevoel dat dit niet erg klopt met de werkelijkheid. En de laatste jaren verschijnen dan ook steeds meer publicaties hierover.

Zo las ik een artikel in Hervormd Nederland van de hand van Henk van IJken in het kerstnummer van het jaar 1995, getiteld: "Een doorsnee vrouw of man bestaat alleen in de statistieken".

In de inleiding lees ik: "De indeling van de wereld in "mannen" en "vrouwen" berust op afspraken. Je kunt wel willen of vinden dat je alle mensen makkelijk en eenvoudig kunt indelen in twee soorten, maar er bestáán er méér." Ook verscheen er in 1999 een goed leesbaar boekje in de reeks Schorerboeken van de hand van Tom de Jong, getiteld: "Man of vrouw, min of meer, gesprekken over een niet-gangbare sekse."(23) Dit boekje maakt veel duidelijk. Het is zonneklaar dat we vanuit praktische overwegingen dat onderscheid m./v. nog steeds hanteren (het is immers gemakkelijk), maar dat dit bij lange na niet beantwoordt aan de werkelijkheid, die immers veel genuanceerder en ook veel ingewikkelder is.

En onlangs nog, op 22 juni 2006, hield Joan Roughgarden, hoogleraar biologie in Stanford een lezing aan de Universiteit van Amsterdam, naar aanleiding van haar boek "Evolution's Rainbow, Diversity, Gender and Sexuality in Nature and People" uit 2004 waarvan een verslag in de Volkskrant van 24 juni 2006 door Ben van Raaij. (66)

Daar las ik:" Bij talloze soorten komt tweeslachtigheid voor van hermafrodiete walvissen tot mannetjeskangoeroes die er ook een buidel en melkklieren op na houden."

En: " Toch zijn er inmiddels bewijzen voor homoseksueel gedrag bij meer dan driehonderd gewervelde diersoorten, van "lesbische"hagedissen tot "biseksuele" dolfijnen. Bij zwarte zwanen zijn er "homoparen"die meer jongen grootbrengen dan een normaal zwanenpaar. Homoseks komt zoveel voor dat het een doel moet dienen……"

En ook nog:" Sekse, kortom, bestaat alleen op het niveau van geslachtscellen. De rest is gender: "de variabele verschijningsvorm, het gedrag en de biografie van een geslachtelijk organisme."

Nu is het in het kader van dit boek niet belangrijk in te gaan op de verschillende opvattingen die onder wetenschappers over dit onderwerp bestaan. Of het nu gaat om verschillen in hersendelen, om het verschil in hormoon-verschijnselen,door z.g.prenatale hormooninjecties of mede door maatschappelijke en culturele invloeden en milieufactoren, feit is dat de indeling m./v. bij lange na niet klopt met de werkelijkheid d.w.z. met de vraag: "Hoe voelen mensen zich en hoe zien zij hun eigen identiteit?" Men kan dat niet eenvoudig afdoen met aanstellerij, aandacht trekken of iets dergelijks, want het feit ligt er dat uit onderzoek blijkt dat het werkelijk om het zoeken naar de eigen identiteit gaat.

Daarom spreekt men tegenwoordig in kringen waar dit onderzoek plaats vindt naast seksen en geslachten over gender. (zie tekst 5.) De woorden "sekse" en "geslacht" gaan uit van de lichamelijke kenmerken van mannen en vrouwen. Het begrip gender gaat uit van de gehele persoon.

Interessant is de uitspraak in een artikel van Peggy Cohen-Kettenis, bijzonder hoogleraar in de genderontwikkeling en psychopathologie van kinderen en adolescenten en klinisch psycholoog op de afdeling kinder- en jeugdpsychiatrie van het Academisch ziekenhuis te Utrecht:

"In Brainsex ( d.i. een boekje dat over de biologische beïnvloeding van de seksualiteit gaat T.S..) gaat het consequent over verschillen tussen mannen en vrouwen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar het onderscheid is in de meeste gevallen "kunstmatig".

Ik citeer verder: "Het bestaan van individuen met stoornissen in de geslachtsontwikkeling maakt duidelijk dat classificatie van de seksen in slechts twee categorieën een oversimplificatie is. Een indeling van de mensheid in man en vrouw is noch historisch, noch biologisch, noch cross-cultureel een absoluut gegeven." Verder stelt zij vast: "Niet alleen cultureel, ook biologisch bekeken variëren de grenzen tussen man en vrouw meer dan de meesten denken. Er zijn tussenvormen waar zij geen weet van hebben." "Mannelijke en vrouwelijke kenmerken kunnen al vóór de geboorte de grenzen tussen de seksen overschrijden. Ook op latere leeftijd kunnen kruisbestuivingen ontstaan. Er zijn bv. jongens die in hun puberteit vrouwenborsten krijgen."

Prof.Cohen-Kettenis is verder van mening dat door een star onderscheid tussen man en vrouw mensen tussen wal en schip vallen: "Je kunt wel willen of vinden dat je alle mensen makkelijk en eenvoudig kunt indelen in twee soorten, maar er bestaan er méér." "Het kan genuanceerder", zegt zij, "Je kunt openstaan voor mannelijkheid bij vrouwen en vrouwelijkheid bij mannen. Daarmee zijn mensen die zich anders voelen geholpen. Want zeker een deel van de ellende is te voorkomen."

Oppervlakkig gezien voldoet het grootste deel van de mensheid ogenschijnlijk aan de vertrouwde tweedeling. Maar zelfs dan nog herken je soms bij iemand die zich volledig man voelt toch trekken die men meestal eerder aan vrouwen toekent.

Daardoor dringt zich de vraag op: "Bestaat het type eenduidige man of vrouw, zoals wij ons dat meestal voorstellen eigenlijk wel?" Of blijken we toch allemaal een mengvorm van beiden te zijn? Van de kant van de praktijk bezien lijkt het onmogelijk van registratie als man of vrouw af te zien, hoewel de mogelijkheid zou moeten bestaan die registratie wat gemakkelijker dan tot nu toe te wijzigen. Toch drong Frans van der Reijt, jurist, rechter in 's Hertogenbosch en voorzitter van de stichting Gendercentrum op een symposium van de Raad van Europa er op aan de sekseregistratie op de Burgerlijke Stand af te schaffen. Naar zijn mening is daarvoor ook de juridische noodzaak weggevallen nu de dienstplicht is afgeschaft. De verplichting tot registratie werd namelijk ingevoerd door Napoleon in verband met de door hem ingevoerde dienstplicht. En Frans van der Reijt merkt daarbij op dat het eigenlijk heel eenvoudig is, omdat bij nader onderzoek bleek dat geen enkele andere wet behoefde te worden aangepast.

Ik vraag mij af of dat wel waar is. Want zolang onze huwelijkswetten niet worden veranderd, lijkt het toch wel van belang te weten of iemand moet worden beschouwd als man of als vrouw. Hoe het ook zij: dit alles geeft aan hoezeer het onderwerp onder deskundigen leeft.

Steeds meer groeit de overtuiging dat onze opvattingen over mannen en vrouwen een simplificatie zijn van de werkelijkheid Daarom kunnen wij ons met recht afvragen of het wel rechtvaardig is deze situatie in stand te houden nu blijkt dat zovelen er grote problemen mee hebben. Met andere woorden: Het wordt toch wel hoog tijd althans al het mogelijke te doen, zodat er geen mensen tussen wal en schip vallen, noch juridisch, noch sociaal, maar ook niet moreel gezien. En dat het om grote aantallen mensen gaat is zeker. Bovengenoemd boekje (23) vermeldt o.a. dat er naar schatting alleen al in Nederland 20.000 transgenderisten zijn, dat is 10 maal zoveel als het aantal transseksuelen, die door behandeling en operatie van geslacht zijn veranderd. (Onderzoek door Paul Vennix van het Nederlands Instituut voor Sociaal Sexuologisch Onderzoek, het Nisso.)

Voor een goed begrip van de gevoelens van deze mensen haal ik nog enkele persoonlijke getuigenissen uit genoemd boekje aan, aangevuld met wetenswaardigheden die mede tot verduidelijking kunnen leiden. Carla: Geboren als meisje koos ze als kind al voor de jongenswereld. In de puberteit kreeg zij wat baardgroei en een lage stem. Verder bleef zij biologisch gewoon vrouw. Op 12-jarige leeftijd constateerde een arts dat zij "de baard in de keel kreeg" en een mannelijk bekken had. In plaats van borsten kreeg zij baardgroei en had zij een afwijkende hormoonspiegel. Zelf zegt zij: als mensen vragen of ik nu man of vrouw ben, zeg ik:" ja." Dan vragen zij door: "Ja wat ben je nou?" "Precies wat je zegt: ik ben een man of een vrouw. Ik maak geen keuze. Iemand op mijn werk noemde mij een "hij/zij". Daar kan ik mij in vinden."

Bernadette: " Op formulieren weiger ik mijn geslacht in te vullen. Toen ik zestien was, won ik nog steeds met armpje drukken van mijn broer. Ik zat ook op ballet, dat was meer een vrouwelijke conditiesport. Qua gender was ik een beetje een rommeltje. Tussen mijn zestiende en mijn negentiende ben ik heel depressief geweest. Ik wilde van die tieten af en een man zijn."

Judith: "Ik ben geen mevrouw of meneer, maar een mevreer. Volgens mijn paspoort was ik een man. Ik wilde heel graag een vrouwenlichaam en meldde me aan voor een geslachtsverandering. Het vrouwelijke patroon is heel prettig, maar toch mis ik het mannelijke patroon wel eens. Ik vind het allebei heel erg leuk.

Tot slot nog enkele wetenswaardigheden:
- Op het Utrechtse genderspreekuur komt gemiddeld één nieuwe patiënt per week.

- "Echte" travestieten voelen zich toch meer man dan vrouw. Bij transseksuelen is dat omgekeerd. Zij voelen zich echt degenen in wie zij veranderd willen worden. De groep tussen beide in voelt zich inderdaad "er tussen in zitten". Die groep was bij onderzoek opmerkelijk groot: 35% van de 500 ondervraagden. Men noemt hen nu transgenderisten.

- Meer dan 40.000 mensen in Nederland herkennen zich niet in de seksecategorie waarin zij bij hun geboorte zijn ingedeeld.

- Volgens Louis Gooren, hoogleraar transseksuologie en hoofd van het Genderteam van de Vrije Universiteit te Amsterdam melden zich daar gemiddeld 150 nieuwe patiënten per jaar.

Op grond van deze gegevens wordt het hoog tijd veel meer met deze werkelijkheid rekening te houden. Opvallend is wel dat in de hele literatuur slechts uitgegaan wordt van medische en psychologische gegevens. Ik wil daar een gedachte aan toevoegen, die te maken heeft met de evolutie van de mens.: Vanuit de evolutieleer gezien acht ik het niet uitgesloten dat we deze problemen mede kunnen verklaren vanuit het uitgangspunt van de evolutie zoals ik dat in het volgende hoofdstuk beschrijf: Verschijnen, verdwijnen en veranderen. Met andere woorden het verschijnsel "gender" zou ook wel eens een evolutieverschijnsel kunnen zijn. De grenzen tussen man en vrouw zijn kennelijk niet zo precies afgebakend als wij meestal denken.En het is in de evolutieleer al lang geen vreemde gedachte meer, dat daardoor regelmatig verschuivingen plaats vinden.

Samenvattend wil ik opmerken: Praktische en wetenschappelijke kennis van het verschijnsel "gender" geven ons een beter inzicht in de verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Deze kennis maant ons tot voorzichtigheid. Wij mogen ons daarbij niet meer uitsluitend beroepen op deze simpele indeling in mannen en vrouwen. Daarom is het niet zo vreemd te veronderstellen dat hier ook in de zin van wederzijdse gevoelens overgangsvormen blijken te bestaan., waardoor het verschijnsel homofilie mede kan worden verklaard.

23. Een nog complexere werkelijkheid.

Maar de werkelijkheid blijkt nog veel ingewikkelder. We weten dat seksualiteit meer is dan de optelsom van lichaamsfuncties. Het is een ingewikkeld samenspel van allerlei factoren die lichamelijk, geestelijk, maar ook sociaal en evolutionair, elkaar onderling ook nog kunnen beïnvloeden en die zelf ook nog eens aan verandering onderhevig kunnen zijn. Wij nemen meestal aan dat er naast een mannelijk en vrouwelijk biologisch "instrumentarium" ook zo iets bestaat als mannelijke en vrouwelijke eigenschappen, hoewel die veel moeilijker nader te benoemen zijn. Maar wij zien ook dat er mannen zijn met "vrouwelijke" eigenschappen en dat er vrouwen zijn met "mannelijke" eigenschappen. Er zijn mannen en vrouwen bij wie de eigenschappen die wij meestal toekennen aan het andere geslacht zo sterk en in een groter aantal dan "normaal" aanwezig zijn dat men bij de man eerder denkt aan een vrouw en bij de vrouw eerder aan een man. Het algemene beeld is duidelijk: Er zijn mannen en vrouwen met eigenschappen die wij eigenlijk aan de andere sekse toedichten. En hoe meer er van die eigenschappen aanwezig zijn hoe meer een vrouw mannelijk lijkt en een man vrouwelijk.

Zo is het opvallend, dat mensen worden aangetrokken door een partner die hem/haar op de een of andere manier "aanvult". ( Ik doel hier wel op serieuze en stabiele relaties.)

Deze keuzes zijn dus niet willekeurig. Het gaat echt om persoonlijke nabijheid en niet op de eerste plaats om het man of vrouw zijn. En is dat niet precies wat Genesis 2,18 bedoelt: "Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik ga een hulp voor hem maken, die bij hem past. Met andere woorden: Feitelijk is het verschil in relatie tussen heterofiele en homofiele mensen helemaal niet zo groot als het lijkt, omdat immers dat zoeken naar een "aanvullende " persoon onder beide groepen regel is. In de volksmond kent men niet voor niets uitspraken als: Twee dezelfde karakters botsen/ Op ieder potje past een dekseltje/ Twee dezelfde polen stoten elkaar af.

Men zou zelfs kunnen zeggen dat het woord "homo"fiel niet de realiteit aangeeft, omdat van dat "homo" (dat betekent immers "gelijke") niet echt sprake is.

Maar ook dan zijn wij er nog niet uit. Het blijkt nog veel ingewikkelder. Robin Baker doet daarover in zijn boek: De spermaoorlog. (64) uitgebreid verslag.

De feiten:
1) Als regel is er bij de vrouw bij de eisprong sprake van slechts één en soms van enkele eicellen en soms deelt die ene eicel zich in meerdere. (meerlingen). Dit in tegenstelling met de ejaculatie bij de man.
2) Bij de man is sprake, per ejaculatie, van vele miljoenen zaadcellen (150-300 miljoen per keer).
3) Deze aantallen blijken zich aan te passen aan drie situaties:
a) de bedoelingen van de partners.
b) de frequentie van de geslachtsdaad.
c) de biologisch voorhanden zijnde mogelijkheden.
4) Statistisch over de gehele mensheid gezien blijken gemiddeld voor één nakomeling ca. 500 inseminaties nodig te zijn.5) Vanuit die gegevens gezien is wat men noemt "routineseks" van nature niet primair bedoeld om kinderen voort te brengen. Dat is ook verklaarbaar want:
a) de eicel sterft na ovulatie al na één dag af en er is niet direct een nieuwe eicel voorradig.
b) het sperma blijft in het vrouwelijk lichaam maar 5 dagen vruchtbaar
6) Uiteindelijk passeren "slechts" 20.000 zaadcellen de eileiders.
7) Niet alle zaadcellen kunnen bevruchting veroorzaken,want:
a) veel cellen zijn dan al te oud of te zwak.
b) veel cellen hebben een andere vorm en een andere functie (64 pg. 63) Er zijn blokkers, die nieuwe cellen de weg kunnen versperren; vechters, die andere cellen effectief vernietigen door chemische stoffen in hun kop en er zijn de ei-jagers die tot bevruchting proberen te komen. Een grote variëteit dus.
8) Een nieuwe zaadcel heeft ca. 2 maanden nodig om volgroeid te raken.
9) De echte bevruchtingscellen, de ei-jagers, gaan dan op zoek naar een eicel, die overigens meestal niet komt.
10) De overgebleven cellen worden door het biologische systeem van de vrouw en door de cellen onder 7b genoemd, vernietigd of sterven af en worden verwijderd.
11) Masturbatie blijkt voor de man een (onbewust) middel op tijd een groot aantal echt vruchtbare cellen te produceren, wanneer zijn aanwezige voorraad te oud is. Deze cellen worden daarbij dan ook verwijderd en vervangen. Daardoor kan masturbatie bevruchting ook bevorderen.
12) De ovulatie van de vrouw is in de loop der jaren aan ingrijpende veranderingen onderhevig:
a) rond de 20 jaar is 50% van de cyclussen vruchtbaar.
b) ronde de 30 jaar, haar hoogtepunt, is dat 80%.
c) Na de 30-jarige leeftijd en vooral na de 40-jarige leeftijd is het een aflopende zaak tot rond de 50 jaar, wanneer als regel de ovulatie langzamerhand zal gaan ophouden.
13) Stress blijkt als een vrij sterk voorbehoedsmiddel te werken. In tijden van stress, door welke oorzaak dan ook, komen opvallend minder bevruchtingen voor. Stress kan namelijk de ovulatie (de eisprong) verhinderen. Bekend is het geval van echtparen, die zich steeds nerveuzer maken over niet-geslaagde pogingen, terwijl nu net die nervositeit zwangerschap voorkomt. Bovendien kan door stress een miskraam worden veroorzaakt, vooral in de eerste drie maanden van een zwangerschap. En wat de man betreft: Ook bij hem kan stress "anticonceptief" werken, d.w.z.bevruchting voorkomen, doordat hij dan 2 soorten zaadcellen produceert die de eigen ei-jagers vernietigen. Uit het oogpunt van voortplanting is stress dus een slechte voorwaarde.
14) De beste manier om succesvol tot voortplanting te komen is gelegen in een ontspannen relatie die trouw en monogaam is. Op de eerste plaats omdat er dan geen zogenaamde.spermaoorlog (64) ontstaat met de zaadcellen van een andere man. Maar ook omdat ontrouw meestal tot ernstige stresssituaties leidt.
15) Al deze gegevens roepen vragen op t.a.v. de morele afwijzing van masturbatie. En dit heeft dan ook gevolgen voor onze beoordeling van homofilie.

24. Een irreële intentie.

Het is een algemeen bekend feit, dat de kerk van Rome als algemeen vereiste voor alle geslachtsverkeer de eis stelt dat althans tenminste de intentie tot voortplanting aanwezig moet zijn. En met die eis hebben heel veel gelovigen grote moeite, zo blijkt uit de praktijk.

Het grote bezwaar tegen een dergelijke redenering is dat deze niet klopt met de dagelijks ervaarbare werkelijkheid. Veel mensen vinden het onwerkelijk, oneerlijk en soms zelfs gevaarlijk.

1. Procreatie als doel van de seksualiteit zal en mag ook lang niet altijd gehaald worden. En dat is maar goed ook, vindt men. En het ontbreken van procreatie maakt iemand nog niet tot een aseksueel wezen. Geen mens haalt het nu nog in zijn hoofd geslachtsverkeer tussen ouderen af te raden of zelfs te verbieden, (hetgeen vroeger inderdaad gebeurde) omdat vaststaat dat er geen procreatie mogelijk is. Dan toch de intentie te vragen is onwerkelijk en wekt de lachlust op. Van echtparen die door een biologisch gebrek geen kinderen kunnen krijgen, te eisen dat zij in ieder geval de intentie hebben kinderen te krijgen, geeft uiteraard een wrange nasmaak bij de mensen die het betreft. Waar niet is, kan men immers ook redelijkerwijs niet wensen. Het is irrationeel, maar psychologisch gezien ook ongewenst, omdat het deze mensen niet helpt de gegeven situatie te aanvaarden. Allerlei (quasi) religieuze argumentaties bieden dan ook geen oplossing. Het wordt zelfs ervaren als een theologische truc om, wat men als een in wezen onjuiste denkwijze ziet, te kunnen volhouden. De werkelijke intentie: geborgenheid bij elkaar, liefde en relatie wordt dan weggestopt. De enorme gevaren van de ziekte aids: deze ziekte wordt lang niet altijd overgedragen door onverantwoord seksueel gedrag, zoals heel wat mensen nog altijd denken, maar ook door medische fouten of via geboorte uit een reeds besmette moeder, die op haar beurt weer besmet werd binnen haar huwelijk met een zieke echtgenoot. In die situatie procreatie wensen en er uiteraard dan ook naar handelen, is én levensgevaarlijk én mensonwaardig. Het is ook levenbedreigend voor de gezonde partner. En daarom dan maar tot onthouding te adviseren is niet de juiste manier om een op zich goede relatie in stand te houden. Het steeds weer dreigende probleem van de hongersnood: In verscheidene gebieden wordt die niet alleen veroorzaakt door slechte economische ontwikkelingen of door natuurlijke droogte, maar ook en soms meer door overbevolking. Het gaat dan inderdaad om vele duizenden, zo niet miljoenen mensen.Wij kunnen dat probleem niet eenvoudig oplossen alleen door een betere verdeling van voedsel, al blijft dat natuurlijk een belangrijk middel. De overbevolking is in zichzelf een groot probleem, dat niet kan worden opgelost door dan maar celibatair leven te verwachten van mensen die zich in die situatie bevinden. Ook hongerende mensen hebben immers recht op geborgenheid bij elkaar. Ook hier wordt de geborgenheid als doelstelling van de seksualiteit ontkend.

2. Procreatie in de betekenis van voorplanting komt binnen de totale seksualiteit van de mens lang niet altijd tot stand, omdat seksualiteit ongetwijfeld veel meer is dan alleen geslachtsverkeer. Maar ook omgekeerd: Afzien van geslachtsverkeer maakt iemand nog niet tot een aseksueel wezen. De behoefte aan relatie, hartelijkheid en zorg wordt daardoor niet minder en neemt wellicht zelfs toe. De mogelijkheid tot procreatie houdt niet in, dat dus iedere mens voor procreatie móet zorg dragen. Als dat waar was, moesten wij onmiddellijk vrijwillig gekozen celibaat afkeuren. En dat doen wij dus zeker niet. Niemand kan ook in redelijkheid beweren dat celibatair levende mensen (en dat zijn niet alleen priesters en kloosterlingen, denk o.a. aan gehandicapten en alleenstaanden) geen seksualiteit kennen. Seksualiteit is heel wat meer dan alleen maar de geslachtsdaad. Op die manier wordt de seksualiteit op een benauwende manier verengd. Seksualiteit omvat immers de gehele mens. Wij kunnen niet het ene deel loskoppelen van het andere. Juist omdat mensen soms menen dat hun seksualiteit een op zich zelf staand gegeven is, los van hun totale persoonlijkheid, vinden zoveel ontsporingen plaats. Of, op een wat zakelijker manier gezegd: Seksualiteit is niet los verkrijgbaar van het totale mens zijn.Een celibatair houdt immers ook niet op volwaardig mens te zijn. Dat is ook de denkfout die de oude kerkvaders en kerkleraren maakten, waardoor zij in grote problemen kwamen en een onjuiste visie op seksualiteit ontwikkelden. Er kunnen binnen een relatie andere keuzes bestaan, terwijl tóch gekozen wordt voor de intimiteit met de ander. En een intimiteit die werkelijk mede gericht is op het belang van de partner kan toch niet in strijd zijn met het boven alles uitstijgende gebod van de liefde.

25. Je lust en je leven.

De oorsprong van de kerkelijke leer over de seksualiteit is dus, zoals al eerder vermeld, voor een belangrijk deel gelegen in een oude stoïcijnse opvatting: "lust nastreven is slecht voor de mens." Dat betekende logischerwijs dat er voor de mens een bedreiging gelegen was in het niet-redelijke en dat betekende meestal dat gevoelens al snel als een bedreiging werden gezien voor de gezondheid. En dat gold al helemaal voor de vrij sterke, mogelijk onbeheersbare gevoelens die binnen de seksualiteit konden optreden. Je overgeven aan deze gevoelens werd als onwijs en onverstandig gezien. Zaken die geen verband hadden met de rede of met emoties waren dan noch goed noch slecht (1, pag.187)

Om tot een juist oordeel te komen, moest de mens, volgens de Stoïcijnen, zich vooral niet laten beïnvloeden door gevoelens en hartstochten, want die hinderen ons alleen maar en bederven ons inzicht. Er zou van gevoelens en hartstochten een zekere magie, betovering uitgaan, waardoor wij verkeerde keuzes maken. Met andere woorden: In zijn eigen belang, om het juiste levensdoel te vervullen, dient de mens levenslang te strijden tegen affecten, zijn gevoelens en hartstochten. De toestand waarin de mens dit bereikt, noemden de Stoïcijnen: apatheia. Dit woord herkennen wij nog in ons woord apathie, d.i. gevoelloosheid of onverschilligheid. Als de mens deze toestand bereikt heeft, is hij een "wijze". Alle andere mensen zijn "dwazen."

Hoewel dus de grondslag van deze filosofie louter humanistisch was, d.w.z. gericht op de mens als mens, toch kwamen in de Stoa ook aspecten naar voren die men tevoren niet gekend had: rechtvaardigheid en mensenliefde, die alle mensen omvatte tot zelfs slaven en barbaren. Dit was een bijna revolutionaire wijze van denken na de filosofie van de Kyrenaïsche school, die egoïstisch van inslag was. En wellicht verklaart dat de aantrekkingskracht die deze filosofie op het latere christendom had.

Maar omdat Jodendom en Christendom zich herbij speciaal beroepen op de bijbel, is het interessant te onderzoeken of deze gedachte wellicht ook bijbels zou kunnen zijn.

Is "lust nastreven" of anders gezegd "genot zoeken" een gedachte die bij het bijbels denken past? En: wordt die gedachte daar veroordeeld? Of is dat nu juist niet het geval? Opvallend is dat men dan dikwijls, om genoemde stoïcijnse gedachte te beamen, een beroep doet op bijbelse termen als: "vleselijk" en "geest", omdat deze met genot en vooral met seksueel genot te maken zouden hebben. Men spreekt dan over "vleselijke lusten". Exegeten zijn van mening dat een dergelijke uitleg strijdig is met het bijbelse denken. Vooral omdat men het stoïcijnse woord "lusten" laat samenvallen met het bijbelse begrip "vleselijk". Twee begrippen uit geheel verschillende en dikwijls met elkaar strijdige culturen.

Het begrip "vlees" en "vleselijk" zijn als bijbelse woorden totaal andere begrippen.

Dr. P. Schoonenberg s.j. geeft in zijn handboek (30,pag.235-236) daarvoor de volgende uitleg: "vlees ( sarks, caro) komt uit het semitische, joodse mensbeeld en staat als begrip niet tegenover ziel of geest, maar als component van het mens-zijn naast "bloed" en "gebeente".Dat geldt dus ook voor het Oude Testament, dat een echt joods geschrift is. Het is daar een zuiver materieel bedoeld woord: vlees en bloed en gebeente staan samen voor de tastbare mens. Wij kennen dit ook in de uitdrukking:"een mens van vlees en bloed". In de bijbel staan soms ook "geest" en "vlees" tegenover elkaar: "De geest is wel gewillig maar het vlees is zwak."

Vlees (en bloed) weer als alles wat met het menselijk lichaam te maken heeft, hetgeen bv.betekent : overgeleverd zijn aan de lichamelijke zwakheid die in het lichaam is gegeven. Geest: alles waardoor de menselijke geest openstaat voor geestelijke waarden en er door vervuld kan zijn. Zie als voorbeeld tekst no.4: Rom.8,5-7.

Het begrip "lust"heeft echter in het O.T. een geheel andere betekenis. Het komt daar voor in de zuivere betekenis van: plezier hebben ergens in. Volgens de Concordantie van Abraham Trommius komt het 90 x voor.Een voorbeeld: Genesis 3,6:" Toen zag de vrouw dat het goed eten was van die boom en dat het een lust was voor het oog." "Lust"als begrip voor seksueel gedrag komt in de Bijbel nergens voor. Men kan zich dus niet op goede gronden beroepen op een bijbels denken dat "lust nastreven" slecht is. Het moge duidelijk zijn dat het taboe op lust te maken heeft met de invloed van het stoïcisme en niet met oude bijbelse begrippen.

De kerkelijke leer is nog niet zo ver dat lust op zichzelf een goede zaak kan zijn. En hoewel sommige vormen van lust of genieten door overdrijving of egoïsme tot misstanden kunnen leiden, daarom hoeven we nog niet ook de mogelijke positieve kanten te ontkennen. Laten wij daarom eens onderzoeken wat in het algemeen de functie van de lust is in het mensenleven.

Meteen blijkt dan al dat in de kerkelijke denkwijze het begrip "lust" verengd wordt tot de seksualiteit. En dat is duidelijk onjuist. Lust speelt vanaf het begin van ieder mensenleven een rol, zowel bij jong als bij oud en normaliter spreekt men dan ook niet meteen over zonde. Sterker nog: leven zonder lust is ondenkbaar. Wij zouden binnen de kortste keren overlijden

Een tegenwoordig heel bekend voorbeeld is de ziekelijke afwijking die met eetlust te maken heeft: de anorexia nervosa, waardoor de patiënt alle plezier in gezonde voeding verliest en zienderogen en heel snel aftakelt tot er de dood op volgt.

Als een pasgeborene geen plezier beleeft aan de voeding van de moeder zou hij/zij niet lang leven. Opname in de couveuze en toediening van kunstmatige voeding zijn dan noodzakelijk om uiteindelijk de eetlust op te wekken zodat het kleine kind veilig verder kan groeien. Zo kunnen mensen lust d.i. plezier hebben in een bepaalde hobby of bezigheid. Dat is niet zo maar een aardigheid, het is een noodzakelijke aanvulling voor het geluksgevoel van de mens.

Mensen zijn soms reislustig d.w.z. zij willen graag de wereld ontdekken. En niemand zal daartegen enig bezwaar hebben. Reislust draagt immers ook bij aan het leren kennen van andere culturen en volkeren en kan wereldwijd de vrede en het onderlinge begrip bevorderen. Een hobby is in een oude zegswijze: "zijn lust en zijn leven". Mensen die geen lust meer hebben in het leven zelf vertonen dikwijls neiging tot zelfdoding.

Men kan gerust zeggen dat beleving van lust noodzakelijk is om te kunnen leven.

Een heel ander aspect van lustgevoelens is dat ze zo maar spontaan kunnen opkomen., ook als het om negatieve lustgevoelens dus om onlustgevoelens gaat. Dat zagen de oude Grieken dan wel goed. Maar ook daartegen hoeven we als regel geen bezwaar te hebben. Ook spontaneïteit kan positief zijn.Het is een kwestie van aanleren.

De denkfout die kerken naar mijn mening soms maken is tweeledig:
1. Door lust te verengen tot seksualiteit doen wij het leven zelf te kort: lust is een levensvoorwaarde op allerlei levensgebieden.
2. Door er allerlei en zoveel voorwaarden aan te verbinden verdwijnt de spontaneïteit en wordt de lust zelfs tot onlust, een groot gevaar voor het leven als die de overhand krijgt. Want met de lust verdwijnt de levensmoed d.i. de moed om verder te leven.

Lust dient altijd een bepaald doel: Eetlust wekt op tot eten en reislust tot reizen en ervaren. Met andere woorden lust is niet los verkrijgbaar. En de seksuele lust dient meerdere doelen, waarvan voortplanting er slechts één is. De psychologie maakt ons duidelijk dat lustgevoelens en onlustgevoelens voor de mens op alle levensterreinen van wezenlijk belang zijn en dat ontkenning ervan tot grote problemen kan leiden. Dat is bij de dieren en planten veel minder het geval. Bij de mens is dat essentiëel. Hij is een met rede begaafd wezen, een wezen dat keuzes kán maken en ook móet maken. En om keuzes te maken, is het nodig er ook toe te worden aangetrokken, met andere woorden men moet er ook zin, lust in hebben.

Maar daardoor is hij ook een wezen dat ter verantwoording mag worden geroepen.

Die keuzes hebben niet alleen te maken met het eigen leven en het eigen nageslacht, maar ook met de belangen van de gehele mensheid en zelfs van het heelal.

Maar die plicht om keuzes te maken kan ook oproepen tot afzien van voortplanting omwille van de risico's die het eventuele nieuwe leven kan lopen.

Maar dat kan en mag niet betekenen dat hij dan ook maar moet afzien van relaties met anderen en dus ook niet van zijn seksuele relaties. Dat zou immers "dodelijk" zijn voor een menswaardig bestaan. En lustgevoelens zijn daar een onmisbaar deel van.

De seksuele relatie bestaat niet uitsluitend uit geslachtsgemeenschap. De menselijke seksualiteit heeft vele uitingsvormen en mogelijkheden.

26. De kerkelijke opvatting werkte negatief.

-- De kerkelijke opvattingen met betrekking tot de menselijke seksualiteit en met name die van de Kerk van Rome gingen te veel uit van de negatieve kanten.Voorop stond kennelijk dat gelet moet worden op de zondige elementen. Dat was een te eenzijdige opvatting die niet overeenkomt met de menselijke werkelijkheid: In de menselijke seksualiteit is veel goeds en veel warmte voorhanden, ook wanneer het niet over voortplanting gaat.

-- Ook al proberen veel moraal-theologen en na hen Vaticanum II aan te geven, dat het in de menselijke seksualiteit om meer gaat dan om procreatie, feit is dat deze voortplantingsgedachte nog steeds als doel voorop moet staan. Het is in de leer van de kerk van Rome nog steeds een dwingende doelstelling van de menselijke seksualiteit. Welnu:

-- Procreatie in alle gevallen blijven zien als noodzakelijke intentie voor iedere geslachtsdaad is, zoals gezegd, een simplificatie van de werkelijkheid.De geslachtsdaad en de menselijke seksualiteit hebben veel ruimere positieve mogelijkheden. En het zijn nu juist die mogelijkheden, die door dit kerkelijk standpunt worden genegeerd of ondergewaardeerd.

-- De kerkelijke opvatting over de menselijke seksualiteit is bovendien weinig pedagogisch. Wie steeds weer gevaren en zonde voorop stelt, vergeet de schoonheid te laten zien. De verwondering verdwijnt, de angst neemt haar plaats in. Dat is in het verleden maar al te vaak gebeurd en dat willen en kunnen mensen van deze tijd niet meer aanvaarden. Daarom wijzen zij die leer af.

-- Tot slot. De beleving van de seksualiteit wordt door de kerkelijke leer alleen maar goedgekeurd binnen het huwelijk. Dat betekent dat alle niet-gehuwden maar verder moeten vergeten dat zij seksueel begaafde mensen zijn. Niets is minder waar. Seksualiteit wordt zo beperkt tot de geslachtsdaad. En dat is misschien wel de grootste simplificatie. Het gaat in wezen altijd om een ik-jij relatie.

De kerkelijke eis tenminste de intentie te hebben tot voortplanting bij ieder geslachtsverkeer is dus niet alleen in strijd met wat mogelijk is. Het is ook onderschatting en onderwaardering van de andere positieve mogelijkheden die in de menselijke seksualiteit gegeven zijn.

27. Is homofilie dan wel tegennatuurlijk?

Een groot knelpunt om tot een andere beoordeling van homoseksualiteit te komen blijkt te zijn de opvatting dat homoseksualiteit "tegennatuurlijk" en daardoor "ongeordend" is. Tegen deze denkwijze zijn ernstige bezwaren aan te voeren, reden om er hier wat dieper op in te gaan. (Ik zie nu af van het onderscheid dat het leerambt graag maakt: het onderscheid tussen aanleg en gedrag : homofilie en homoseksualiteit. Dat onderscheid heeft voor mijn gevoel iets onzuivers in zich: eerst erkennen dat iemand de aanleg heeft, die als scheppingsgave zien en hem dan vervolgens het recht ontzeggen die aanleg positief te waarderen en te benutten. En dit dan ook nog in tegenstelling met de heteroseksuele mens, die immers, zij het alleen binnen het huwelijk, wel van zijn aanleg gebruik mag maken. Menigeen is van mening dat zo'n redenatie toch niet helemaal recht door zee is.)

Het woord "tegennatuurlijk" betekent: hetgeen in strijd is met wat in de natuur kennelijk bedoeld wordt. "Ongeordend" betekent: hetgeen tot wanorde leidt. Uit al het voorgaande kunnen we dan concluderen:
1. dat het eerste doel van de menselijke seksualiteit niet is de voortplanting, maar de relatie tussen mensen
2. Ook in de serieuze homofiele relatie herkennen we die doelstelling. Deze relaties kunnen net als heterofiele relaties leiden tot een situatie, waarin mensen kennelijk gelukkig zijn.
3. Van nature zoeken mensen elkaar, d.w.z. gaan met elkaar in velerlei vormen relaties aan. De ervaring toont aan dat de mens niet anders kan.
4. Het doel van het semen en de eicel is slechts deels en lang niet in alle situaties, gericht op procreatie. In verreweg de meeste gevallen blijkt dit niet tot bevruchting te leiden of te kunnen leiden.
5. Waar de mogelijkheid tot procreatie niet aanwezig is, blijkt de menselijke seksualiteit volwaardig in staat een relatie te bevorderen en in stand te houden.
6. Een beroep op Heilige Geschriften heeft hier geen zin, omdat steeds weer blijkt dat die teksten kennelijk in een andere situatie zijn geschreven en ook een ander doel dienen.
7. De oude begrippen berustten op de gedachte dat mensen eenvoudig-weg in te delen zijn in twee categorieën: "man"en "vrouw". Uit veelvuldig onderzoek blijkt dat een dergelijke indeling tekort doet aan de werkelijkheid. Ieder mens heeft in meerdere of mindere mate eigen-schappen die voorheen uitsluitend werden toebedacht aan de andere "sekse".
8. Daarom spreken we tegenwoordig liever over "gender" d.w.z. de seksuele eigenschappen omvatten de gehele mens en komen bovendien in alle mogelijke lichamelijke en gevoelsmatige variaties voor.
9. Uit de praktijk blijkt dat homofiele relaties niet ongeordend hoeven te zijn. Ook in een homofiele relatie is ordening mogelijk en gewenst. Zelfs al zou dat in sommige gvallen daartoe leiden, we mogen van de uitzondering geen regel maken. Dat doen we terecht ook niet bij de heterofiele relatie.
10. Dit alles overziende valt het moeilijk staande te houden dat homofilie "tegennatuurlijk" zou zijn. Op die manier zouden we immers de menselijke seksualiteit verengen tot alleen de geslachtsdaad. En dat blijkt dus onjuist.
AMRUTHA, roman in het Engels
door John Wijngaards
Hoe komen wij de verouderde sexuele moraal te boven?
Het christelijk genieten van seks Veelgestelde vragen
Fantasieën Naaktheid Voorbehoedsmiddelen Schuld Homoseksualiteit Masturbatie
Nieuw focus in de Katholieke seksuele moraal/ academische bronnen


Homofilie Normaal door Ton G. M. Smits

Voorwoord

Geschiedenis

Onderzoek

Conclusies

Samenvatting

Literatuur

Genderwoorden

Teksten